CHRISTOFFEL COLUMBUS

Spaans: Cristóbal Colón

Portugees: Cristóvăo Colombo

1451 geboren in Genua (Italië) – gestorven in 1506 (20 mei- in Valladolid)

Zijn ouders waren wolhandelaars. Als kind moest hij al heel vlug meehelpen. Met balen wol sleuren, wol uiteen halen enz.

14 jaar oud: eerste zeereis als scheepsjongen naar Corsica (om wol te halen?)

In 1472 (21 jaar oud) vaart hij als matroos mee op een schip naar eiland Chios, vlak voor de Turkse kust. Omdat men vreest dat de Turken het eiland zullen aanvallen. De Turken blijken het eiland met rust te laten. Soldaten en matrozen worden naar huis gestuurd. CC heeft nu wel ervaren hoe groot de angst van de christenen is voor de moslims.

In 1476 scheept hij in op een vloot die met handelswaar op weg gaat naar Engeland en Vlaanderen. Hij bevindt zich op het Vlaamse schip “Bechalla”. Als de schepen door de Straat van Gibraltar zijn en bij Kaap St-Vincent komen, worden ze opgewacht door Portugese en Franse schepen. De Fransen zijn in oorlog met Vlaanderen en hebben het dus op de Vlaamse schepen gemunt. De Bechalla wordt overrompeld en in brand gestoken. CC die licht gewond is geraakt in het gevecht springt over boord en houdt zich drijvende met een roeiriem. Urenlang drijft hij in het water en onderkoeld en uitgeput komt hij aan land. Als hij wat opgeknapt is vertrekt hij naar Lissabon (waarschijnlijk te voet).

Hij scheept weer in als matroos en vaart naar Engeland. Bij Kaap Finisterre steken de gevreesde stormen op en moet het schip ver van de kust de oversteek naar Engeland maken. Hij komt aan in  Southampton. Van daaruit zeilt hij verder naar Bristol, dat toen na Londen de rijkste zeehaven van Engeland was. Hij zal wel verbaasd geweest zijn over het grote verschil in eb en vloed: dat loopt in Bristol op tot 14 meter!

In de herfst scheept hij zich in op een schip dat naar het noorden vaart. Hij komt op IJsland en vaart zelfs met vissersboten mee – het is een uitzonderlijk zachte winter – in de wateren ten noorden van IJsland tot bij het kleine eiland Jan Mayen (met de vulkaan), binnen de poolcirkel. Later zal hij op zijn kaarten het eiland nauwkeurig tekenen.

In 1477 is hij terug in Lissabon, waar intussen zijn broer Bartolomeo, die cartograaf is, is gaan wonen. Hij maakt kennis met de cartografen en steekt een en ander op over het tekenen van zeekaarten.

CC is erg godvruchtig en gaat regelmatig naar de kerk om de mis te volgen. Hij doet dat in het Convento dos Santos, een klooster op de oever van de Taag. Vroeger mochten daar alleen vrouwen en dochters van kruisvaarders binnen, maar gezien de kruisvaarten gedaan waren, mochten ook andere mensen er de mis volgen. Daar leert hij Felipa Perestrello kennen, de dochter van de gouverneur van het eilandje Porto Santo (het eiland dat enkele jaren daarvoor was ontdekt en gekoloniseerd – cfr de konijnenplaag). Hij trouwt en vertrekt met zijn vrouw naar Porto Santo. Hij krijgt een zoon Diego. Hij gaat weer varen en vaart met een schip mee naar Elmina in Guinea om er een fort te bouwen. De onderdelen van het fort worden in Lissabon gemaakt en op schepen geladen. Op een van die schepen vaart Columbus mee. Als hij terug thuiskomt wordt hij opgewacht door een familie die in rouw is: Doă Felipa is gestorven. Hij was weduwnaar van 32 jaar oud en moest voor een zoontje zorgen op een afgelegen eiland.

In Porto Santo, waar hij verder niets om handen heeft, begint hij de idee uit te werken om via het westen naar het oosten (Indië) te varen met als belangrijkste beweegreden: het christendom brengen en de moslims bekeren, als tweede: goud, zilver, edelstenen en specerijen. Hij neemt het besluit om er voor te gaan en zijn leven in dienst te stellen van dit ideaal. Hij begint alles te lezen wat er bestaat over zeereizen en reizen te land naar het oosten. Hij leest de Bijbel, hij leest het reisverhaal van Marco Polo en maakt veel aantekeningen in het boek. Alles wat hij te weten komt over de omtrek van de aarde gebruikt hij ook in zijn voordeel, zo dat de aardomtrek er toch maar niet te groot zou uitzien, want dan zou niemand zijn reis willen bekostigen. Hij correspondeert ook met de Italiaanse cartograaf Toscanelli, die ervan overtuigd is dat je via het westen ook in Indië kunt geraken. Zo werkt CC langzaam maar zeker zijn plan uit.

Aangezien hij verwant is aan de gouverneur van Porto Santo kan hij contacten leggen met mensen aan het koninklijk hof. Hij keert dan ook terug naar Portugal en in 1484 ontmoet hij Koning Johan II. Hij probeert de koning ervan te overtuigen zijn aandacht niet alleen op de tocht rond Afrika te focussen maar ook een kans te wagen via het westen. De koning luistert geduldig naar de uiteenzetting van CC, maar durft zelf geen beslissing nemen. Hij stelt een commissie samen van geleerde wiskundigen en zeevaartkundigen. Zij moeten de plannen van CC onder de loep nemen.

Over de ontmoeting van CC met de koning schrijft een kroniekschrijver: “De koning vond deze CC zeer zelfverzekerd en dat hij opsneed over zijn talenten, en meer fantasie en verbeelding had dan nauwkeurig was. … En alle geleerden vonden CC’s woorden hol, want ze waren gebaseerd op illusies.” De geleerden beweerden dat de Atlantische Oceaan te breed was om met een schip over te steken.

CC schreef later: “Koning Johan wist meer van ontdekkingen dan ieder ander, maar God had zijn oren en ogen gesloten.

In het geheim liet koning Johan echter een schip helemaal naar het westen varen om de landen te zoeken die CC beweerde daar te vinden, maat het schip keerde zonder resultaat terug. Toen CC dit vernam was hij verontwaardigd over de oneerlijke koning, maar was hij ook bang. Hij durfde niet meer in Portugal blijven. Hij vertrok met zijn zoontje naar Spanje.

1485 Komt in Huelva aan de monding van de Guadalquivir en wil zijn zoontje onderbrengen bij zijn zus. Onderweg komt hij voorbij het klooster van La Rábida. Klopt er aan en de monniken geven zijn zoontje te eten en te drinken en komen in gesprek met CC. Het hoofd van het klooster (de prior), Fray Antonio de Marchena was geďnteresseerd in zeevaart en sterrenkunde. Hij wordt bevriend met CC, een vriendschap die zijn hele leven zal duren. Deze pater brengt CC in contact met de hertog van Medinaceli, de rijkste man van Andalusië, met een eigen vloot. Hij wilde zelfs nieuwe schepen laten bouwen om CC te laten vertrekken. Maar omdat hij onderdaan was van de koningin van Castilië (Isabella) moest hij haar natuurlijk inlichten. Zij ontstak in woede en liet kortaf weten dat alleen de koningen van Castilië het recht hadden om ontdekkingstochten te laten uitvoeren.

CC wordt dan uitgenodigd voor een audiëntie in Cordoba bij Isabella en Ferdinand, de Katholieke Koningen. Zij voerden daar oorlog tegen de Moren (de moslims). CC reed op een muildier door de vallei van de Guadalquivir. Het regende onophoudelijk. Hij kwam aan het hof, maar de koning en de koningin waren er niet (de koningin was in Salamanca juist bevallen van een dochter). Hij hield zich dan bezig met aan de adel en de priesters te vertellen over zijn zeereizen.

Toen Isabella en Ferdinand dan uiteindelijk in de lente aankwamen, werd CC haast onmiddellijk door hen ontvangen. Isabella was onder de indruk van wat de stoutmoedige CC vertelde, vooral over de beloften van bergen goud. Maar zij had geen geld om het project te financieren (het geld was nodig voor de oorlog tegen de Moren, ze had er zelfs haar eigen bezittingen voor in pand gegeven). Dus liet ze een commissie samenstellen die het voorstel van CC moesten bestuderen. Tot de uitspraak zou CC een jaargeld krijgen waarvan hij kon leven. CC wachtte de hele zomer op een uitspraak, en probeerde bij zoveel mogelijk hovelingen in de gunst te komen. Maar in de herfst vertrok de hele hofhouding weer naar Salamanca zonder uitspraak te doen. CC verandert zijn naam in Cristóbal Colón.

In de lente van 1487 ging het hele hof weer naar Cordoba en CC dus ook weer. Intussen hoorde en merkte hij hoe aan het hof de spot met hem werd gedreven.

In de commissie werd gezegd dat de aarde niet rond kon zijn, omdat in de brieven van Paulus stond dat God de hemel als een tent over de aarde had gespreid.

CC wachtte geduldig een uitspraak af. Maakte intussen kennis met een Beatriz die een winkel had in Cordoba. Hij gaat bij haar wonen en begint zeekaarten te verkopen en later ook boeken (de boekdrukkunst bestond intussen al dik 30 jaar en had zich razendsnel over Europa verspreid).

Enkele monniken die terugkwamen uit Jeruzalem vertelden dat de sultan ermee gedreigd had alle christenen die naar het Heilig Land kwamen te doden als de Spaanse koning Granada nog langer bedreigde. CC zwoer om zelf een leger te financieren om de Kerk van het heilige Graf uit de handen van de moslims te redden. Hij was een godsdienstfanaticus geworden.

In 1491 sleepte de oorlog tegen Granada voort. Ferdinand en Isabella lieten alle landerijen en velden in de wijde omgeving platbranden zodat er geen levensmiddelen naar Granada kwamen. CC werd ongeduldig. Er kwam maar geen uitspraak. Zijn broer Bartolomeo had in Engeland ook geen succes en ging naar Frankrijk. CC besloot om weg te gaan en ging eerst naar het klooster La Rábida. Daar verbleef toen Fray Juan Pérez, de biechtvader van de koningin. Hij wilde niet dat Spanje zo een veelbelovend project zou laten schieten. Hij zou zijn best doen ….

Pérez zadelde onmiddellijk zijn paard en reed naar de koningin. Amper had de pater met de koningin gesproken of een koerier kwam spoorslags naar CC met volgend bericht:

            CC moet direct naar het hof komen.

            CC krijgt 20.000 maravedi’s om kleren te kopen

CC krijgt het recht om een rijdier te gebruiken (wegens de oorlog waren paarden en ezels geconfisqueerd en mochten alleen militairen paarden en ezels gebruiken als rijdieren).

CC kwam in het legerkamp aan te Santa Fé. Maar daar moest hij wachten. De oorlog was in een beslissende fase. Granada begon te onderhandelen over een overgave. In de loop van de herfst was alles rond en op 6 januari 1492 hielden Ferdinand en Isabella een triomfantelijke intocht in de stad. In de stoet liep ook CC mee.

Enkele dagen later kreeg CC het bericht dat Isabella hem wilde ontvangen.

Hij kwam niet alleen meer met voorstellen maar ook met eisen. Eisen ivm schepen, manschappen, en toekomstige verdeling van winsten en macht. Hij eiste dat de eilanden en landen die hij zou ontdekken een vorstendom zouden vormen onder zijn gezag en dat van zijn nakomelingen.

Hij moest admiraal worden van Castilië en

onderkoning en gouverneur van alle ontdekte gebieden.

1/10 van al het goud moest voor hem zijn.

1/8 van de winst van alle handelsactiviteiten

Het alleenrecht om te bemiddelen in geschillen ivm handel.

(CC vroeg dus eigenlijk om na de koningin de meest machtige man van het land te worden).

Isabelle vond zijn eisen waanzinnig en stuurde hem definitief weg.

CC reed onder de noordpoort van Santa Fé weg naar Cordoba.

Toen hij op de oude brug was in het dorp Pinos, op 6 km van Santa Fé, haalde een boodschapper van de koningin hem in.

Wat was er gebeurd?

De schatmeester van de koningin (minister van financiën) was naar de koningin gegaan en had haar duidelijk gemaakt dat de staat helemaal niets moest investeren.

            De schepen moest de havenstad Palos leveren.

            Columbus moest zelf investeren (tezamen met andere Genuese handelaars)

            Santangel (de schatbewaarder) zou de rest voorschieten tegen 14% over 2 jaar.

Toen was de koningin overtuigd en stuurde een koerier achter CC aan. Hij had drie koninklijke opdrachten mee:

1.      De stad moest op straf van boete 2 karvelen leveren met de nodige bemanning. Die moesten over 10 dagen klaarstaan. De stad moest de bemanning ook 4 maanden vooruit betalen. (Palos reageerde niet)

2.      Alle dorpen en steden aan de kust moesten helpen Ook dat mislukte tot een schipper: MARTIN ALLONSO PINZÓN toehapte. Van zodra deze Pinzon er zich mee bemoeide liep het vanzelf. Nu gaven de stadbestuurders wel gehoor en 2 karvelen met uitrusting en bemanning werden in orde gebracht. Het waren weliswaar de kleinste karvelen die ze hadden. Daarom moest CC op zoek naar een derde en groter schip om alle bagage te kunnen dragen. Hij vond een schip, eigendom van Juan de la Cosa, waarvan de eigenaar bereid was als kapitein mee te varen.

3.      Iedere misdadiger die aanmonsterde kreeg gratie. Zijn straffen werden kwijtgescholden. CC moest hiervan geen gebruik maken, behalve voor 4 voortvluchtige mannen.

 

Zo werd het geregeld:

CC als bevelvoerder van de vloot op het schip Santa Maria, met als kapitein Juan de la Cosa.

Martin Alonso Pinzon voer het bevel over de Pinta

Francisco Martin Pinzon (broer van) voer het bevel over de Nińa. De eigenaar van dit schip (Nińo) was stuurman.

De schepen werden grondig nagezien. De rompen werden helemaal met zwarte pek ingesmeerd.

Toen werd alles aan boord gebracht: water, wijn, brood, gedroogde vis, gepekeld vlees, varkens, kippen en schapen in kooien op het dek. Ten slotte de ruilgoederen: belletjes, linnen hemden, stoffen mutsen, kommen, kralensnoeren, spiegels, scharen, messen, naalden en spelden. Tot slot het brandhout.

2 augustus op het middaguur woonden zij de mis bij in de kerk van San Jorge.

Op het middagtij voeren ze de rivier af naar zee.

3 augustus bij zonsopgang verlieten ze de kade en voeren de zee op.

’s Avonds hadden ze 50 zeemijl afgelegd.

Drie dagen liep alles volgens wens.

De vierde dag kreeg de Pinta problemen. Het roer was stuk. Men probeerde het al varend te herstellen. Dat ging wel, maar de volgende dag brak het toch af. Toen de dag daarop de kust van de Canarische Eilanden in zicht kwam gaf hij de opdracht de Pinta daar naartoe te zeilen en het schip te laten herstellen. Hijzelf voer naar een ander eiland.

Daar kwam hij langs Tenerife, waar net op dat moment de vulkaan in werking trad en een fontein van vuur omhoog spoot en lava langs de vergflanken naar beneden stroomde. De matrozen waren in paniek, maar CC kon hen kalmeren door te vertellen over de uitbarsting van de Etna die hij al eens meegemaakt had.

DePinta geraakte hersteld door nieuw roer te maken met de plaatselijke schrijnwerkers en smid.

Op 6 september voeren ze verder (ze waren al een maand onderweg en nog niet verder gekomen dan de Canarische Eilanden).

CC vertelde aan de bemanning dat degene die het eerst land zou zien 10.000 maravedi’s zou ontvangen van de koningin. Dat geld kwam niet van de koningin zelf, maar had ze verkregen door de slagers van Sevilla een speciale belasting op te leggen.

Ze varen in zuidwestelijke richting naar de Kaapverdische eilanden omdat CC vernomen heeft dat er Portugese schepen ten zuiden van de Canarische Eilanden klaarliggen om hem tegen te houden. Zo kan hij de Portugesen ontwijken. Pas daarna zet hij koers naar het westen.

Hij vindt er de passaatwinden die hem de ganse overtocht rugwind geven. De schepen schieten dus snel op.

Zij komen in de Sargassozee terecht, met overal rondom hen uitgestrekte velden met zeewier. Ze vrezen er niet doorheen te komen, maar het wier wijkt gemakkelijk en schuurt ritselend tegen de wanden van het schip.

17 september: grote onrust! De kompasnaald wijst niet langer de poolster aan, maar wijst er westelijk van. Paniek, want met een kapot kompas vrezen de mannen om nooit meer thuis te geraken. CC raadt aan om ’s morgens opnieuw te kijken en inderdaad: het kompas duidt nu wel de goede richting aan. CC kent de verklaring niet en raadt ernaar. Vertelt dat de Poolster een kleine cirkel maakt en dat er ’s avonds dus een klein verschil opzit t.o.v. ’s morgens. Het verschil bedroeg toen ongeveer 6 graden. Tegenwoordig minder dan 3 graden.

24 september: de mannen op de Santa Maria weigeren verder te varen. Uit hun berekening blijkt dat ze al verder gevaren zijn dan contractueel was vastgelegd. Ze komen in opstand tegen CC. CC vraagt aan Martin Pinzon om te bemiddelen. CC en MP komen overeen nog 8 dagen verder te varen, en als er dan geen land gevonden is terug te keren naar Spanje. Deze laatste doet dat resoluut: “als een van jullie nog problemen maakt dan kom ik met mijn broers naar hier en hang een half dozijn van jullie op aan de mast.”

Die avond zag Martin Pinzon vanaf het achterdek van de Pinta de zon ondergaan achter een kustlijn. Land !! De mannen tuurden in de verte. Kropen in mast en riepen: Tierra, Tierra. Sommigen sprongen zelfs overboord en zwommen rond het schip, waarbij dolfijnen rond hen kwamen zwemmen. CC liet echter niet naar het land zeilen, maar zeilde verder in noordwestelijke richting. Hij was erop uit om Cathay te bereiken, niet de eilanden die een eind voor de kust lagen. ’s Morgens was er niets meer te zien van het land.

8 dagen gingen voorbij, en nog steeds geen land. Het regende soms hard, soms aanhoudende motregen.

Woensdag 3 oktober: nog steeds geen land te zien.

Donderdag 4 oktober: vliegende vissen en de dag erop vielen er een massa vliegende vissen op het dek. Ze werden opgeraapt en gebakken.

7 oktober: ze varen tegen de wind. De Nińa vaart enkele mijlen voorop (sneller dankzij de driehoekige latijnzeilen). Plots gaat de vlag hoog in de mast en klinkt een schot uit een van de kanonnen. Het afgesproken teken dat er land in zicht is. Als de Santa Maria er eindelijk bij is gekomen is er geen land meer te zien.

Maandag 8 oktober: er vliegen grote zwermen vogels over. Het geduld van de mannen raakt op.

Woensdag 10 oktober: opstand. De mannen zeggen dat CC hen verraden heeft. Ze dreigen ermee CC in het water te gooien. CC herinnert de mannen eraan dat ze al vol moed zo ver gevaren zijn, dat het nu zinloos is om terug te keren. Hij belooft dat ze binnen 3 dagen aan land zullen gaan. En dat de koningen hen zullen straffen als ze iets tegen hem ondernemen, wegens hoogverraad.

Donderdag 11 oktober: De Pinta vist een tak uit het water. Ze zien dat iemand er met een mes in gekerfd heeft. De Nina vindt een tak met bloesems eraan. De tak lijkt niet lang geleden afgesneden te zijn. CC zegt dat het een hondsroos is (eglantier).

Vrijdag 12 oktober om 2 uur ’s nachts. De Pinta is weer voorop en schiet een kanonschot af. Er is land gezien in het licht van de maan. Een matroos (Rodriguez) van De Pinta is de gelukkige, hij zal de 10.000 maravedi’s per jaar opstrijken.

Maar CC beweert dat hij die nacht, maar iets eerder een bewegend lichtje heeft gezien. Alsof iemand met een fakkel rondliep. Hij eist dus de beloning voor zichzelf op.

’s Morgens zetten zij bootjes uit. CC trekt zijn mooiste gewaden aan. Gaan aan land. Zetten een kruis op en een galg: kruis als teken dat zij het land aan God wijden, de galg als teken dat zij hier ook recht en rechtvaardigheid zullen brengen. De priester begint het Te Deum te zingen.

De inboorlingen komen nieuwsgierig kijken wat er gebeurt. Ze zijn volledig naakt, maar niet verlegen om hun naaktheid. Hun huiden waren beschilderd. Ze kwamen aandragen met strengen katoen, speren met punten van visbeen, tamme papegaaien. Ze ruilden die voor scherven aardewerk en glas. In hun neus droegen ze kleine gouden sieraden. Die wisselden ze graag om voor glazen kraaltjes, rode mutsen en koperen belletjes. Een van de indianen streek met zijn hand over een zwaard en was stomverbaasd toen hij merkte dat dit zo scherp was dat er bloed uit zijn hand vloeide.

CC vroeg aan de indianen – hij noemde hen zo omdat hij dacht op een van de eilanden van Indië te zijn – waar er goud te vinden was. Ze wezen naar het zuiden.

CC vaart de volgende dagen en weken langs verschillende eilanden.

Woensdag 21 november gaat de Pinta er alleen van door. CC geschokt door deze desertie.

Komt aan de oostelijke punt van Cuba en vindt dan het eiland Hispaniola (Haďti en Dominicaanse Republiek). De zee was er kalm en zij bleven drie dagen op dezelfde plaats. Kregen bezoek van de inboorlingen en van hun koning die een gouden masker schonk aan CC. Op kerstavond (24 dec) kalme zee ’s avonds. CC besluit door te varen om zo snel mogelijk in Cibao (waar goud te vinden was) te komen. CC heeft de eerste wacht. Hij begint te knikkebollen en wil gaan slapen. Hij vraagt een van zijn mannen om de wacht over te nemen. Maar die is na een tijdje ook doodop en zet een scheepsjongen aan het roer. Die voelt na een tijdje (rond middernacht) een schok. Het schip is vastgelopen op ene zandbank.

Omdat de Nina te klein is om alle mannen en bagage terug mee te nemen naar Spanje besluit CC een nederzetting te bouwen: La Navidad. 39 mannen blijven er.

Hij besluit dan terug te keren en niet verder te zoeken naar Cibao. Komt dan bij de kaap Monte Cristi die hij blijkbaar herkent. Daar zien ze ook de Pinto.

16 januari: koers naar huis.

Komen in storm. Tonnen met zeewater vullen om stabiel te blijven. Beloven dat er iemand op bedevaart zal gaan als ze behouden thuiskomen; Twee keer valt het lot op CC. Om te vermijden dat de herinnering aan zijn reis verloren zou gaan rolt hij perkament met verslag op en steekt dat in een vaatje en gooit dat in zee. Het is nooit teruggevonden.

 

Behalve een beetje goud (en het gouden masker) en een viertal Indianen leerde CC nog andere zaken kennen:

Ananas

Mahiz (= mais)

Bataten (= aardappelen)

Tabacco (= tabak)

Kano

Hamac  (= hangmat)