Ritmische rijmgedichten over de woordsoorten

 

(voor het derde leerjaar en hogere leerjaren van de lagere school; groep 5 en hoger in Nederland)

 

versvoet:  meestal jambe (kort-lang), soms trochee (lang-kort), soms anapest (kort-kort-lang) of dactylus (lang-kort-kort)

De klemtoon of lange toon ligt op de onderlijnde lettergreep. De eerste beklemtoonde lettergreep van elke regel is aangeduid.

ritme: 3-telmaat, soms 2-telmaat in het geval van anapest en dactylus (bijvoorbeeld : 't voorzetsel)

 

Deze gedichten kunnen gebruikt worden in :

taallessen

muzieklessen (ook voor improvisatieoefeningen)

ritmiekles (stap- en klapoefeningen)

wereldori├źntatie (WO)

mondelinge herhalingslessen

 


 

 

HET WERKWOORD                                                            pauken

 

Het werkwoord zegt ons wat we doen

Of wat we zijn of wat er is.

Je hebt het dus ook steeds van doen,

In elke zin vind je 't gewis.                                                  beluister

(in canon: tweede stem zet in bij aanvang tweede regel)

beluister

 

 

HET ZELFSTANDIG NAAMWOORD                                   gong

 

Het zelfstandig naamwoord geeft

Een naam aan alles wat bestaat,

Aan mensen, dieren, al wat leeft,

Wat eeuwig is, aan wat vergaat.                                         beluister

(in canon: tweede stem zet in bij aanvang tweede regel)

beluister

 

 

HET BIJVOEGLIJK NAAMWOORD                        klokkenspel

 

Het bijvoeglijk naamwoord is zo'n woord

Dat steeds toch bij iets anders hoort.

Het zegt hoe alles werkelijk is,

Of hoe wij vinden dat het is.                                               beluister

 

 

 

HET LIDWOORD                                         fluit, blaasinstrument

 

Als lidwoord zijn wij slechts met drie├źn,

Bij 't naamwoord kan j' ons dikwijls zien.

Een, de, het is onze naam,

En daarmee is het dus gedaan.                                           beluister

 

 

 

HET VOORNAAMWOORD                                              cymbaal

 

Het voornaamwoord zegt kort en klaar

Om wie of wat het gaat.

En is het naamwoord eens niet daar,

Het voornaamwoord er dan wel staat.                               beluister

(in canon: tweede stem zet in bij aanvang tweede regel)

beluister

 

 

 

HET TELWOORD                                                        triangel, bel

 

Het telwoord, zegt het woord toch al,

Dat dient wel om te tellen.

Het vormt met letters elk getal,

Hoeveel er is zal 't ons vertellen.                                       beluister

(in canon: tweede stem zet in bij aanvang tweede regel)

beluister

 

 

HET BIJWOORD                                                cabasa, handtrom

 

Het bijwoord zegt hoe da' 'k 't doe,

Of waar of ook wel eens wanneer.

Soms voeg ik het ook zomaar toe,

Ik zet het hier en daar maar neer.                                      beluister

(in canon: tweede stem zet in bij aanvang derde regel)

beluister

 

 

 

HET VOEGWOORD                                                       woodblock

 

Het voegwoord voegt de woorden

Tot rijen aan elkaar,

Of bindt als vastgesnoerde koorden,

De zinnen aan mekaar.                                                       beluister

(in canon: tweede stem zet in bij aanvang derde regel)

beluister

 

 

HET VOORZETSEL                                                                agogo

 

't Voorzetsel wordt steeds voorgezet

Wanneer ik wil vertellen waar dat iets of iemand is.

Is het in, is het uit, is het op gezet?

Dank zij mij vind je waar het is. (klap-klap)                       beluister

(zeer geschikt als 2- of 3-stemmige canon. de inzetten zijn dan: 't voorzetsel wordt steeds / 't voorzetsel ...)

beluister

 

 

HET TUSSENWERPSEL                                                   vibraslap

 

Het tussenwerpsel is een woord

Dat je voortdurend hoort. (hier zeggen de leerlingen een tussenwerpsel al dan niet naar believen)

De kind'ren kennen het heel snel,

Maar 't klinkt niet altijd even wel.                                      beluister

 


 

 

Deze gedichten kunnen vanaf de derde klas gebruikt worden in de lessen Nederlandse taal. Ze worden daarna tot in de zesde klas herhaald in de opmaat of bij de ritmische oefeningen.

 

Bij het gebruik ervan kunnen de kleuren gehanteerd worden zoals ze hier gebruikt zijn. De kinderen kunnen echter in hun schriften kleuren gebruiken naar eigen keuze.

 

Bij elke woordsoort kan een ander instrument gebruikt worden (slag- of blaasinstrument). De aangegeven instrumenten zijn slechts voorbeelden, een andere reeks instrumenten kan ook. Door het gebruik van instrumenten krijgt de woordontleding (taalontleding) een extra muzikale dimensie.

 

Bij de mondelinge herhaling en in de lessen ritmiek worden deze gedichten zeer ritmisch gesproken.

 

De gedichten worden uit het hoofd geleerd.

 

Sommige gedichten kunnen ook in canon gesproken worden.

 

Deze gedichten kunnen ook muzikaal bewerkt worden (getoonzet en met instrumenten gespeeld of begeleid)

 

Andere mogelijkheden om de gedichten ritmisch, melodisch of via klanken te ondersteunen vind je hier:

 

 

 

cielen.eu 10-08-2007