VREEMDE-TALENONDERWIJS
Luc Cielen
in Rinkkrant 916 (10 februari 2006)
Veel tijd om kranten grondig te lezen heb ik niet. Maar nu en dan valt mijn oog op een artikel dat mijn aandacht trekt omdat het te maken heeft met de pedagogie, en dan meer specifiek met de pedagogie zoals die in Rinkrank wordt beoefend.
De afgelopen week waren er drie artikelen in De Morgen (ik heb slechts één krantenabonnement) die toch wel een vermelding verdienen in deze Rinkkrant.
Het eerste gaat over het vreemde-talenonderwijs. Daarmee zijn we in Rinkrank ook begaan, dat is al te merken aan het feit dat er wekelijks een uur Frans en een uur Engels op het programma staan vanaf de eerste klas.
In de krant gaat het over hersenscans die uitgevoerd werden bij kinderen tussen 7,5 en 11,5 jaar en waarbij bleek dat meertalige kinderen minder hersenactiviteiten ontplooiden om eenzelfde taak te verrichten als eentalige kinderen. Het gevolg daarvan is dat meertalige kinderen meer ‘hersenruimte’ over hebben om zich te richten op andere facetten van een taak. Bijvoorbeeld het oplossen van een vraagstuk. Meertaligheid heeft dus meer voordelen dan alleen maar de kennis van meer dan één taal.
Een tweetalig kind moet wel de twee talen voortdurend onderhouden om van het ‘hersenvoordeel’ te blijven genieten.
Een conclusie van de onderzoekster (Katrien Mondt) is dat kinderen heel vroeg met onderwijs in een tweede taal moeten beginnen: "En liefst van al vanaf het kleuteronderwijs. Dan is de talige interactie veel meer gericht op communicatie en inhoud dan op het maken van taalfouten. Bovendien is het brein van jonge kinderen nog veel plastischer. Dat Vlaamse leerlingen pas op hun tiende kennismaken met het Frans is dus verre van ideaal. Het meertalig onderwijs moet echter wel aan enkele voorwaarden voldoen. Zo is de continu teit van het meertalige lesrooster essentieel. Beide talen moeten over de hele schoolcarri re of tenminste een aantal jaren aan bod komen, wil je er de vruchten van plukken. Daarnaast moet het lessenpakket ook aangepast zijn aan de context van de school, aan de ligging ervan en aan de moedertaal van de leerlingen"
Ook de volgende stelling onderschrijft de onderzoekster: "Kinderen zijn sowieso heel gevoelig voor het aanleren van taal, en dus ook van vreemde talen. Het is immers een natuurlijke zaak om meer dan één taal te spreken. Het is noch de wereldnorm, noch de cognitieve norm dat we slechts met één taal vertrouwd zouden zijn.
Denk maar aan Afrika: daar spreekt iedereen zowat vier talen. Ook in Azië kent iedereen al gauw twee drie talen. Tweetalig worden is moeilijker dan meertalig worden."
Ik heb een opmerking bij het onderricht in een vreemde taal zoals K. Mondt dat ziet. Zij is voorstander van wat nu in Wallonië reeds in diverse scholen bestaat en daar ‘immersion’ heet: de jongste kinderen krijgen er 80 % van de lessen in het Nederlands. Als ze ouder worden vermindert dat. Wat is de bedoeling? Dat Waalse kinderen, die in een Franstalige omgeving wonen, op school het Nederlands als tweede taal gaan beheersen. Binnen die lessen gebeurt alles in het Nederlands, ook de interactie tussen de leerlingen. Maar verder hebben deze leerlingen geen contact met het Nederlands. En dat is waar volgens mij het schoentje wringt. De beste manier om een vreemde taal te leren is nog steeds: gaan leven temidden van de mensen die die taal spreken, zodat het kind met alle facetten van de taal binnen en buiten de school in aanraking komt. Anders blijft het kunstmatig en zal het toch nooit helemaal het gewenste effect hebben. Bovendien gaat daarmee een grote opdracht van de school verloren: als 80 % van de lessen in een vreemde taal gegeven worden, waar blijft dan de ontwikkeling van de eigen taal? Juist de school heeft daar een grote waarde en die vergooit ze nu. Het is een beetje te vergelijken met hoe vroeger de kinderen op school het Algemeen Nederlands leerden. Heel hun taalomgeving was dialect, op school was het AN. Wat was het gevolg? Dat de kinderen een AN spraken dat heel sterk gekleurd was door het dialect. De vergelijking gaat niet helemaal op, omdat het taalgevoel hier nog gelijklopend is, maar toch was steeds duidelijk te horen dat het AN een gekunstelde taal was.
Wat doet Rinkrank met het onderricht in de vreemde talen? Eerst en vooral meer dan één vreemde taal. Dat sluit aan bij het onderzoek van K. Mondt. En dat is inderdaad beter. Dan is er een tweede stap: wat er in die vreemde taal gegeven wordt heeft de bedoeling de kinderen vertrouwd te maken met klanken en uitdrukkingen van die taal. Niet om hen die taal te leren, maar om hen er mee vertrouwd te maken. Niet om de taal alleen maar ook om de inhouden mee te geven die met die vreemde taal samenhangen; liederen en gedichten en verhalen dus. Een Franse les en een Engelse les zijn in Rinkrank momenten waar kinderen naar uitkijken, waar ze met enthousiasme naar toe gaan. Ik denk dat we vóór de leeftijd van 10 jaar niet veel méér kunnen doen. Omdat deze kinderen nu eenmaal niet in die Franse of Engelse omgeving verblijven. Toch is er een groot verschil tussen Frans en Engels. Het Engels is veel meer aanwezig in onze omgeving dan het Frans. Dat is te merken in de lessen Engels: wat daar aan bod komt is meestal gekend door de kinderen. In de lessen Frans is dat niet, Frans is echt een vreemde taal geworden. Net als het Duits, dat we ook niet meer voortdurend om ons heen horen. Kinderen in Rinkrank die thuis Franstalig zijn, of Duitstalig of Engelstalig hebben volgens dit onderzoek grote voordelen op de andere kinderen. Maar dan is het toch eigenaardig dat de overheid extra lesuren toekent om kinderen uit anderstalige gezinnen beter te begeleiden. De zogenaamde GOK-uren. Als het onderzoek, waarvan hier sprake, correct is, zou de overheid extra lesuren moeten toekennen voor al die kinderen die ééntalig opgevoed worden.
Een tweede artikel in De Morgen ging over het feit dat hedendaags voedsel minder mineralen bevat dan de voeding van pakweg 60 jaar geleden. Hoe komt dat? Omdat de moderne landbouw zich toegespitst heeft op het gebruik van chemische meststoffen. De grond krijgt daardoor niet meer de mogelijkheid om te regenereren, om zichzelf te verrijken. "De chemische stoffen zijn niet in staat de grote variatie aan voedingsstoffen die planten en mensen nodig hebben te vervangen". Een reden te meer dus om voor biologische voeding te kiezen. Want die wordt gekweekt op grond die wel nog alle noodzakelijke stoffen (mineralen) kan aandragen.
Een derde artikel (08.02.2006) ging over de verkoop van emo-medicijnen - dat zijn pijnstillers, antidepressiva, kalmerings- en slaapmiddelen, antipsychotica. Het artikel bespreekt de stijging van de omzet, die in tien jaar tijd verdubbeld is. Zo staat er verder: "In absolute cijfers minder belangrijk, maar wel opzienbarend is de stijging van de verkoop van psychostimulantia. Dat zijn amfetaminederivaten zoals rilatine en concerta die bij patiënten met ADHD worden voorgeschreven. In tien jaar tijd verviervoudigde het aantal verkochte doosjes van 172.381 tot 662.960. De omzet steeg in dezelfde periode van 0,46 miljoen euro tot 7,4 miljoen euro." Rilatine en Concerta zijn heel bekende medicijnen in de schoolcontext. Ikzelf heb al herhaaldelijk mijn standpunt duidelijk gemaakt in het gebruik van deze middelen. Maar ik ben als de stem van een roepende in de woestijn (al klinken er regelmatig nog wel stemmen op die gelijkluidend zijn). Is het echt zo erg gesteld met ons onderwijs dat het verbruik van deze middelen op 10 jaar een verviervoudiging rechtvaardigt? Als dat zo is, is het hoog tijd dat het onderwijs een andere richting inslaat.