◄
RINKRANK
TAAL NEDERLANDS
KLEUTERSCHOOL
Er is veel aandacht voor het spreken van de kinderen, waarbij
de kleuters gestimuleerd worden om te spreken. Op elk moment van de schooldag is
er aandacht voor juiste uitspraak, voor uitbreiding van de woordenschat.
In elke kleuterklas liggen er leesboeken, prentenboeken en
liedboeken, die de kinderen vertrouwd maken met teksten.
Spreuken, gedichtjes, versjes en liedteksten worden op vele
momenten van de dag aangeboden en geoefend: 's morgens bij het binnenkomen, bij
het opruimen, bij de pedagogische activiteiten, aan tafel, bij aanvang en einde
van speeltijden, bij namiddagactiviteiten, bij het einde van de schooldag.
De kleuterleidster vertelt elke voormiddag een verhaal. Dit is
gedurende een week, soms twee weken, dagelijks en woordelijk hetzelfde verhaal,
waardoor kleuters de taal ervan overnemen en daardoor een rijkere taal
ontwikkelen. De kleuters spreken ook mee van zodra ze de tekst enigszins kennen.
Deze verhalen worden nu en dan tot toneelstukjes omgewerkt of tot poppenspel,
waarbij de kleuters ook weer actief kunnen meedoen en meespreken.
Elke namiddag lezen de kleuterleidsters een verhaal voor uit
een boek.
Kleuters worden gestimuleerd om hun eigen naam te schrijven,
soms ook die van andere kinderen uit de klas, of die te lezen. Hierdoor wordt de
interesse voor lezen en schrijven gestimuleerd.
LAGERE SCHOOL
Elke periode, zelfs een wiskundeperiode, is in de eerste
plaats een
taalperiode. Dat wil zeggen dat er steeds een grote aandacht is voor
het gesproken en geschreven woord.
De leerstof moedertaal Nederlands wordt in periodes van 2 à 3
weken aangeboden.
Eerste klas
Leren lezen en schrijven gaan hand in hand.

Het aanleren van de letters gebeurt via sprookjes en de daarbij
passende tekeningen, die de kinderen ook zelf maken. Uit die tekeningen ontstaan
de gedrukte hoofdletters. De kinderen 'tekenen' die over, zoeken namen en
woorden waarin die letters voorkomen en 'tekenen' die ook op. Alle letters van
het alfabet, de klanken die gevormd worden door twee klinkers en de tweeklanken
komen op die manier aan bod. Door deze werkwijze kunnen de kinderen al
schrijvend - maar in feite is dat tekenend - tot lezen komen. Tegelijk met de
grote drukletters worden ook de kleine drukletters aangeboden. De kinderen
tekenen die zelf niet, maar leren die gebruiken als 'leesletter'. Los daarvan en
in een apart moment van de dag oefenen de kinderen vanaf de eerste dag van de
eerste klas via het vormtekenen het gebonden schrift. Woordenrijen worden samen
met de kinderen opgesteld, overgeschreven en gelezen.
Twee aspecten bij het leren lezen lopen voortdurend door
elkaar en zijn dus ook steeds bewust aanwezig: analyse en synthese.
Letters in woorden herkennen (analyse) en daarmee nieuwe woorden maken
(synthese).
Een fabelperiode, samen met de tweede klas, stimuleert het
lezen in hoge mate, omdat de tweedeklassers voorlezen voor de eersteklassers,
die zelf mee op zoek gaan naar specifieke woordbeelden in de aangeboden teksten.
Vele teksten in de eerste klas gaan over dieren, omdat de
kinderen daar een grote voorliefde voor hebben en er zeer door geboeid zijn.
Leesboeken, niet noodzakelijk aangepast aan het leesniveau -
moeilijker mag ook - liggen ter beschikking en worden dagelijks gehanteerd. Het
AVI-leesniveausysteem wordt niet als dusdanig gehanteerd. Ieder kind krijgt de
kans om op zijn eigen tempo verder te gaan.
De kinderen worden gestimuleerd om eigen tekstjes te
schrijven.
Tweede klas:
Lezen is nu een dagelijkse praktijk geworden. De inhoud van de
teksten komt meestal uit sprookjes, fabels en legenden.
Gedichten, liedteksten en verhalen worden gelezen, geschreven
en gedeclameerd.
De kinderen schrijven meer en meer eigen teksten.
Spelling: korte en lange klanken in open en gesloten
lettergrepen, waarbij wordt uitgegaan van de meervoudsvormen van de zelfstandige
naamwoorden. Clusters van medeklinkers vooraan, achteraan en midden in een
woord.
Taalbeschouwing komt als nieuw element aan bod: de kinderen
leren vier woordsoorten benoemen en herkennen:
koningswoord of zelfstandig naamwoord
koninginnenwoord of bijvoeglijk naamwoord
doewoord of werkwoord
herautwoord of lidwoord.
De beide benamingen voor elke woordsoort worden door elkaar
gebruikt. Het benoemen en herkennen van de woordsoorten wordt ook muzikaal
ondersteund.
Derde klas
De inhoud van de gebruikte teksten hangt samen met de verhalen
uit de lessen cultuurbeschouwing.
Spelling wordt een belangrijk onderdeel. Niet zozeer de
spellingregels op zich, dan wel een continue aandacht voor spelling.
De kinderen schrijven veel eigen teksten; dat kunnen
eenvoudige woordenrijen zijn, gedichten, verhalen, opstellen enz. Met vooral
veel teksten naar aanleiding van waarneming en observatie.
Taalbeschouwing: alle woordsoorten worden benoemd en herkend,
met muzikale ondersteuning; het gebruik van kleuren werkt ook ondersteunend.
Vierde klas
Veel eigen teksten en teksten uit de verhalen die in de
cultuurbeschouwing aan bod kwamen.
Spelling wordt meer gericht aangepakt via spellingregels.
Taalbeschouwing: de woordsoorten worden verder ontdekt en
verkend, met meer details dan in de derde klas. De muzikale en plastische
ondersteuning blijft.
Het werkwoord wordt een belangrijk gegeven: de actieve tijden
van het werkwoord en de vervoeging.
De kinderen beginnen met het houden van een dagboek. Teksten
daaruit komen in de schoolkrant. Deze opdracht dient ook ter ondersteuning
van de waarneming.
De klas beschikt over een vrij groot aantal leesboeken.
Vijfde klas
Veel eigen teksten, met o.a. een dagboek waaruit teksten geput
worden voor de schoolkrant. Boekbesprekingen zijn nu een vast item. Het
herschrijven van teksten in eigen bewoordingen komt ook aan bod.
Opschrijven van waarnemingen in W.O.-periodes.
Taalbeschouwing: de taalkundige ontleding; alle woordsoorten
moeten herkend worden en meer en meer in detail besproken.
Werkwoorden: alle actieve en passieve tijden van het
werkwoord.
Veel leesopdrachten in verschillende periodes.
De inhoud van aangeboden teksten komt meestal uit
mythologieën, die nu trouwens aan bod zijn in de lessen
cultuurbeschouwing.
De klas beschikt over een vrij groot aantal leesboeken.
Zesde klas
Veel eigent teksten: observatieverslagen (uit de kleuterklas
bijvoorbeeld), dagboek, herschrijven van gekende teksten in eigen bewoordingen,
opschrijven van waarnemingen in W.O.-periodes. Gedichten schrijven. Boek- en
filmbesprekingen.
Taalbeschouwing: alle aspecten van taalkundige ontleding. De
redekundige ontleding.
Veel leesopdrachten in verschillende periodes.
Expressief lezen.
De klas beschikt over een vrij groot aantal leesboeken.
◄