◄
Schoolfeesten
SINTERKLAAS
Het sinterklaas is een adventsfeest
Luc Cielen
Bij de aanvang van de advent is er een feest, waarnaar de kinderen bijzonder
geboeid uitkijken: Sinterklaas. In rood en goud gekleed komt hij naar de
kinderen om hen geschenken te geven.
Maar Sinterklaas is niet alleen de heilige man die geschenken brengt, hij
komt ook iets halen. Hij komt de dankbaarheid van de kinderen halen om daarmee
de komst van het kerstekind voor te bereiden.
Om die reden vieren we het sinterklaasfeest in Rinkrank op een totaal andere
manier dan in het reguliere onderwijs. In Rinkrank is de Sint niet de figuur die
plots de deur opengooit en koekjes en snoep in het wilde weg rondstrooit. Hij is
niet die enigszins carnavaleske figuur omringd met uitgelaten Zwarte Pieten die
de kinderen angst inboezemen. Hij is hier een eerbiedwaardige grijsaard, van wie
goedheid en heiligheid afstralen. Hij is de man die de ouders en de volwassenen
inspireert om de kinderen met goedheid te omringen en dat tastbaar te tonen
onder de vorm van geschenken.
Het sinterklaasfeest is dan ook een zeer ingetogen feest, dat al volledig de
sfeer van de kersttijd ademt. Het is een sfeer zoals die vroeger nog in de
kerken te vinden was. Maar waar een heilige sfeer hangt, moet ook plaats zijn
voor luim en ontspanning: en dat brengt Zwarte Piet: kort en eenvoudig, zodat
hij voor de kinderen niet langer de boeman is. Hij is eerder de figuur die de
volwassene nog eens even op zijn plichten komt wijzen, maar dan zo, dat de
kinderen er plezier aan beleven.
Vier legenden zijn er over Sinterklaas bekend.
De eerste : In Myra (Turkije) leefde een man met drie huwbare dochters
die geen geld voor een bruidsschat bezaten, zodat de vader hen in een
bordeel wilde onderbrengen, dan konden ze tenminste in hun levensonderhoud
voorzien. Toen Nicolaas daar lucht van kreeg, liet hij de drie
achtereenvolgende zondagen een beurs met de inkomsten van het bisdom door
een raampje in hun woning glijden, en dankzij die bruidsschat konden de
meisjes trouwen. Vandaar dat hij met drie geldbeugels, soms tot bollen
vereenvoudigd, wordt afgebeeld.
De tweede : Nicolaas ontdekte dat drie onschuldige officieren ter dood
waren veroordeeld. In een droom verscheen hij aan keizer Constantijn en
toonde hem de toren waarin zij gevangen zaten, en vroeg om hun vrijlating.
De keizer ging er op in. Op iconen stond daarom vaak een toren met drie
mannetjes, wat men elders niet zo goed begreep, en men maakte er drie
kinderen van die door een boze herbergier waren geslacht en ingezouten, maar
door Nicolaas weer tot leven waren gewekt. Daardoor werd Nicolaas de grote
kindervriend. Dat hij op een schimmel over de daken rijdt: dat heeft hij te
danken aan de heidense god Thor. Volgens de meeste verklaringen echter zou
het eerder Odin (Wodan) zijn geweest die hem dat voordeed op zijn
achtvoetige paard Sleipnir.
De derde : Op de Middellandse Zee was een volledig opgetuigd zeilschip in
noodweer verzeild. De zeelui riepen de hulp van de bisschop van Myra in en
terstond verscheen hij hoog in de masten en maakte er het tuig los, zodat de
zeilen konden gereefd worden. Sinds dat mirakel bleef Nicolaas de patroon
van de zeevaarders, en daarom vind je in zoveel havensteden een Nicolaaskerk.
De vierde : Na zijn dood drupte er uit zijn gebeente een waterachtig
vocht, dat bekend werd onder de naam Manna. In Bari (Zuid-Italië), waar het
gebeente van Nicolaas nu rust, gaat dat druppelen nog steeds verder. Men
vangt het op in flesjes, lengt het aan met water en verkoopt het aan de
bedevaarders.
Er zijn nog wel meer legenden over hem bekend, en talloos zijn de
verhalen waarin hij een rol speelt.
NICOLAAS, 6 december
Luc Cielen in Rinkkrant 811 van 19 november 2004
Over de heilige Nicolaas is niets met zekerheid gekend. Het enige dat is geweten, is dat er
vanaf de zesde eeuw teksten te vinden zijn waarin de figuur van Nicolaas beschreven wordt.
In deze teksten wordt gezegd dat hij bisschop van Myra was en leefde ten tijde van keizer
Constantijn. Dat betekent dat hij moet geleefd hebben in de vierde eeuw en dus een tijdgenoot
was van Sint Maarten. Een tweede vermoeden van zijn historisch bestaan is dat men in de
zesde eeuw op 6 december een Nicolaas herdacht die dus veel eerder moet geleefd hebben. In
de levensbeschrijving van Nicolaas van Sion, abt van het Sionklooster, die in de zesde eeuw
leefde, wordt melding gemaakt van deze feestdag.
Hoe minder historisch materiaal er over deze heilige is, hoe meer legenden er zijn. Het
volksgeloof kon, bij afwezigheid van historische bronnen, zijn vrije gang gaan. Daardoor zijn
er over Nicolaas vele legenden bekend, al blijkt ook dat er heel wat vermenging is gebeurd in
de loop der eeuwen tussen de figuur Nicolaas van Myra en Nicolaas, de abt van het
Sionklooster.
De oudste legende over Nicolaas gaat als volgt :
In de tijd van Keizer Constantijn brak in Phrygië een opstand uit onder de Taiphalen.
Daarover werd de godvrezende keizer geïnformeerd. Dadelijk zond hij drie veldheren,
Nepotianus, Ursos en Herpylion met hun soldaten daarheen. Ze rukten vanuit het bloeiende
Constantinopel op en voeren per schip naar de provincie Lykië en landden in de havenstad
Andriake, de haven van de hoofdstad Myra, drie mijl daarvan verwijderd. Daar gingen ze
omwille van de woelige zee van boord, want het weer was te ongunstig om verder te zeilen.
Enkele soldaten verlieten het schip. Ze wilden zich vermaken en bevoorraden. Ze waren op
roven uit. Zo kwam het dat ze beschimpt werden en zelf ook de mensen bedreigden, hoewel
ze soldaten waren. Schermutselingen en lawaai verbreidden zich in het plaatsje Plakoma,
zodat men het tot in de hoofdstad hoorde.
Gods heilige bisschop, de herder en leraar van de plaatselijke kerk, hoorde het eveneens. Hij
kalmeerde het volk en maande het aan niet ondoordacht of overhaast te handelen. Zelf begaf
hij zich aanstonds naar Andriake. Zodra men hem zag, groette eenieder hem daar met knieval
en passende eerbied. De veldheren maakten kennis met hem; ze begroetten hem en waren heel
vriendelijk. Hij vroeg hen wie ze waren, vanwaar ze kwamen. Ze antwoordden : "Wij zijn
mannen van vrede en werden door onze godvrezende keizer naar Phrygië gestuurd. We
trekken te velde tegen opstandige volksgroepen. Dat uwe heiligheid voor ons bidde dat we een
zegenrijke tocht tegemoet gaan." De bisschop nodigde hen uit om met hem naar de stad te
gaan en daar zijn zegen te ontvangen. Eerbied en terughoudendheid toonden de veldheren
voor de aanwezigheid van de heilige en voor zijn rechtschapenheid. Ze bevalen dat eenieder
de vrede zou bewaren en dat geen van de soldaten het zou wagen iemand te bedreigen of zich
ongedisciplineerd te gedragen.
Toen kwamen er juist enkele mensen uit de stad aan. Ze begroetten de heilige en spraken tot
hem: "Heer, als u in de stad geweest waart, zouden niet drie terechtstellingen onrechtvaardig
voltrokken zijn. De stadhouder heeft namelijk steekpenningen aangenomen en het bevel
gegeven drie burgers door het zwaard te laten ombrengen. De hele stad beklaagt zich ten
zeerste dat u niet aanwezig waart."
Toen de bisschop dit vernam, was hij ontsteld. Terstond nodigde hij de veldheren uit en begaf
zich snel naar de stad. Toen hij op de leeuwenplaats kwam, vroeg hij aan diegenen die daar
stonden of de veroordeelden nog in leven waren. Men antwoordde hem dat ze nog leefden en
zich bevonden op de weg naar de zogenaamde dioskuren. Toen haastte hij zich naar het
martyrion van de heiligen Kriskes en Dioskerides. Nog eenmaal informeerde hij en hij vernam
dat ze juist langs de stadstoren trokken. Toen hij de toren bereikte zeiden de mensen dat ze op
weg naar Berras waren. Dat was de terechtstellingsplaats voor wie de doodstraf kreeg.
Hij liep snel verder en trof daar veel mensen aan onder wie de rechter die reeds het zwaard in
de hand hield om hen terecht te stellen. Ook hij bemerkte de heilige. Toen de heilige man zich
naar voren gedrongen had, zag hij juist dat het vonnis aan de drie burgers voltrokken zou
worden; hun ogen waren geblinddoekt, ze zaten op de knieën en strekten de nek om onthoofd
te worden. De heilige sprong toen snel naar voren, ontnam het zwaard aan de beul en
slingerde het weg. Hij bevrijdde de gevangenen van hun boeien en bracht hen terug naar de
stad en zei: "Ik ben bereid in plaats van deze onschuldigen te sterven !" Niemand echter van
de wachters waagde het hem tegemoet te treden of hem tegen te spreken, omdat ze zijn liefde
tot God en zijn onverschrokkenheid kenden. Want waarlijk naar de Schrift 'heeft een
gerechtigde een vast vertrouwen zoals een leeuw'.
Nu holde hij naar de ambtswoning van de stadhouder en eiste toegang terwijl hij luid op de
poort klopte. Toen de wachter van de provincieprefect Eusthatios, de aanwezigheid van de
heilige gemeld had, kwam de prefect snel naar buiten en begroette hem met een knieval. Maar
de heilige stootte hem van zich af en kloeg hem met rake woorden aan: een tempelrover, een
bloedzuiger, een wetsbreker, een godsvijand noemde hij hem en hij zei: "Hoewel je geen
godsvrees bezit en meedogenloos onschuldigen laat doden, kom je mij onder ogen. Omdat je
zulke grote fouten hebt begaan zal ik je niet verschonen. Want de boosaardige bereidt God
boosaardige wegen. Wat gij u veroorlooft zal ik de godvrezende keizer melden: hoe gij uw
ambt uitoefent, erger nog, hoe gij deze provincie plundert en wederrechtelijk en zonder
rechtspraak mensen afslacht uit haat en ongeoorloofd winstbejag."
Toen viel de provincieprefect op de knieën en smeekte hem: "Vertoorn u toch niet tegen mij,
mijn heer en vader. Erken dat niet ik schuldig ben, maar de hoge ambtenaren van de stad,
Eudoxios en Simonides, die met beschuldigingen tegen hen opgetreden zijn. Maar de bisschop
antwoordde: "Niet Eudoxios en Simonides, maar om het waarheidsgetrouw te zeggen,
goudroes en zilverhand hebben u met hun bezit bekoord en u ertoe verleid u met deze zaak in
te laten." Het was hem namelijk ter ore gekomen dat de prefect tweehonderd gouden ponden
had ontvangen om die mannen op gemene wijze uit de weg te ruimen. Veel andere dingen
kwam de heilige man nog van de veldheren te weten over de stadhouder. Hij bracht hem ertoe
toe te geven dat dit zijn vergrijp was en hij verklaarde de door hem onrechtmatig getroffen
maatregelen tegen de drie eerder vermelde mannen onrechtsgeldig.
De veldheren aten met de heilige bisschop en verzochten hem dan voor hen een gebed te
doen. Nadat ze zijn zegen ontvangen hadden, namen ze afscheid van hem en zeilden af. Ze
trokken Phrygië binnen en bevrijdden daar de dorpen, doordat ze alle opstandelingen en
rebellen verdrongen.
Nadat ze de vrede in het vaderland verzekerd hadden, keerden ze naar het keizerrijk
Constantinopel terug. De daar gelegerde manschappen, de bond der stoottroepen en de
voltallige senaat bereidden hen een feestelijke ontvangst voor, waarbij de
overwinningsvlaggen gehesen werden en deelden mee hoe ze de vrede hersteld hadden. Ze
werden buitengewoon eervol in het paleis ontvangen.
Onder invloed van de duivel ontstond er afgunst onder de officieren. Ze overtuigden de
politiecommissaris Ablabios dat die mannen heimelijk naar de keizerlijke macht dongen en
slechts met huichelarij en bedrog over vrede praatten. "Wanneer voor hen het gunstige
ogenblik komt, zal hun gemeenheid aan het licht komen. Daarom is het beter tijdig het bedrog
van onze vredevolle staat af te weren. We hebben u dit laten weten, opdat u er bij uw
besprekingen van dit plan uw aandacht aan zou schenken en u in het geheim, vooraleer ze het
bewerken, aan de gebieder van de wereld voordraagt, om hen kortweg en zonder opzien te
vernietigen."
Dit verklaarden ze en ze beloofden tegelijk hem duizend zevenhonderd gouden ponden ten
geschenke te geven.
Toen de commissaris dit vernomen had en zich van de toezegging van geschenken verzekerd
had, ging hij naar de keizer en sprak: "Gebieder en Heerser, in godsvreze en liefde tot Christus
regeert u over uw rijk en de hele wereld leeft in vrede in onze rustige tijden. Maar de duivel
misgunt ons zulk een geluk en liet daarom vijanden opstaan. Hij sloop in de harten van de
veldheren die naar Phrygië uitgetrokken zijn en nu terugkeerden. Ze plannen een
samenzwering tegen uwe heerschappij en willen een omwenteling doorvoeren in onze
vredevolle staat. Diegene die zich bij hen aansluiten en ernstig meewerken beloven ze een
bevordering, geschenken en vermeerdering van bezit. De vijand en tegenstander van onze
vrede, de duivel, is er altijd ijverig op bedacht door zijn listen zoiets in het werk te stellen. De
mensenlievende God, die waakt over ons godvrezend rijk, liet evenwel niet toe dat de aanslag
lang verborgen zou blijven. Hij bewoog de harten van de mannen, die in het complot ingewijd
werden om bij mij te komen en mij de bijzonderheden van het plan te vertrouwen. Toen ik dit
vernam, kon ik onmogelijk zwijgen, daar ik anders de straf van God en de toorn van uw
ontstemming zou minachten. Liever bracht ik uwe goddelijke hoogheid verslag uit, zodat u
kan bepalen wat u juist vindt.
Toen de keizer dat had gehoord, vooral dat men tegen hem en zijn rijk een samenzwering
beraamde, werd hij buitengewoon toornig. En omdat hij geloofde dat de commissaris de
waarheid sprak, liet hij de veldheren dadelijk en zonder onderzoek als gevangenen in de
kerker werpen. Door goddelijke voorzienigheid gebeurde het dat hij in die dagen over
dringende staatszaken juist zeer geërgerd was. Toen enige tijd verstreken was, kwamen hun
lasteraars, de vijanden van de waarheid, weer naar de commissaris. Ze brachten hem het
beloofde geld en drongen aan het doodvonnis tegen de gevangenen te laten uitspreken. Ze
zeiden: "Op wiens gunst steunt het dat u tot nog toe hen in leven houdt en niet, nu ze toch
reeds gevangen zijn, berecht. Ze zullen indien mogelijk nog ontkomen en hoewel in de
gevangenis, met hulp van hun vrienden vrijkomen en ontsnappen. En tevergeefs, zo zal men
vinden, hebben wij ons voor de vrede ingespannen.
Door hen aangezet ging de commissaris naar de keizer en sprak: "Gebieder, we hebben die
misdadigers die tegen onze heerschappij een samenzwering op touw hebben gezet, nog in
leven gelaten. Maar zie, ze hebben van hun voornemen niet afgezien. Buiten hebben ze
handlangers, zoals ik pas heb vernomen." Toen de keizer vernam dat ze ook in de gevangenis
nog plannen tegen hem beraamden, gaf hij het bevel, hen 's nachts door het zwaard te
berechten. De commissaris die hiermee werd belast, liet de gevangenisopziener komen en
deelde hem mee: "De drie mannen die je in bewaring hebt, zijn schuldig; tref alle
voorbereidselen om ze in de nacht terecht te stellen."
Toen de gevangenisopziener Hilarion, dit vernam, werd hij zeer treurig. Onder tranen sprak
hij tot de gevangenen: "Geëerde mannen, mijn vrienden, vrees en angst hebben mij getroffen
en ik beef om uw lot. Ik zie ertegenop met u te spreken, maar de nood dwingt mij u te
informeren. Had ik u niet leren kennen! Ik til er zwaar aan en het bedrukt me als ik met u
spreek, omdat we reeds spoedig van elkaar gescheiden zullen worden. Het bevel kwam dat u
de volgende nacht terechtgesteld wordt. Wanneer u voor uw persoonlijke aangelegenheden
nog iets moet doen, tref dan regelingen. Wat de politiecommissaris mij heeft meegedeeld heb
ik aan u overgebracht."
Toen de veldheren dit hadden vernomen, weenden ze bitter, verscheurden hun kleren (als
teken van ontsteltenis) en rukten zich de haren uit. Ze aten stof, jammerden en klaagden en
waren vertwijfeld over de onverwachte dood. Ze riepen: "Wat is de reden, welke misdaad
hebben we begaan dat we niet voor onderzoek en rechtspraak gedagvaard worden zij het dan
als misdadigers?"
Nepotianos echter herinnerde zich wat de heilige Nicolaas, de bisschop van de stad Myra, had
gedaan. En onder tranen en zuchten, klaagde en bad hij : "Heer God van uw knecht Nicolaas,
heb wegens uw goedhartigheid en, wegens de voorspraak van uw waardige dienaar Nicolaas
medelijden met ons. Zoals u, door hem aan die drie mannen die onschuldig veroordeeld
werden, barmhartigheid hebt getoond en hen aan het doodsgevaar hebt onttrokken, roept zo
ook ons tot leven terug; want door de voorbede van hem, uw heilige priester, wordt u
goedgunstig gestemd. Wij vertrouwen erop dat hij persoonlijk, indien niet lijfelijk; dan toch
geestelijk aanwezig is en uw goedheid ook voor ons ter hulp roept, daar hij de benauwdheid
en de kwelling van onze ziel doorziet."
En luid riepen ze samen : "Heilige Nicolaas, ook al bent u ver, dat uw voorspraak voor ons
nabij weze, smeek voor ons bij de mensvriendelijke God, want hij vervult het verlangen van
hen die vrezen en hun smeekbeden verhoort hij. Zo zullen wij door uw voorspraak uit het
levensgevaar dat ons bedreigt, gered worden en door uw grootmoedigheid zal ons de
mogelijkheid geboden worden persoonlijk tot bij U te reizen om uwe heiligheid te eren,
geprezene vader." Zo baden de drie mannen en als uit één mond zonden ze hun beden tot God;
daarbij begeleidde hen de hoop dat ze hulp en bijstand van de hemel zouden bekomen.
Door de genade van God, 'die zich over allen ontfermt' en die zich snel en beschermend
opstelt voor 'wie hem met het hart zoekt' en die altijd het 'tot eer brengt, die hem eren' en die
'heelt, wiens hart terneergedrukt is' verscheen die nacht de heilige Nicolaas aan de keizer en
sprak tot hem:"Constantijn, sta op en laat die drie veldheren die u in de gevangenis hebt, vrij;
want ze worden ten onrechte belasterd. In geval gij niet naar mij wil luisteren, zal ik u in
Dyrhachion een oorlog bezorgen en uw lichaam aan wilde dieren en vogels tot eten geven,
nadat ik tot de grote Koning Christus tegen u gebeden heb."
Toen vroeg de keizer: "Wie bent u en hoe bent u op dit uur in mijn paleis gekomen?" De stem
antwoordde: "Ik ben Nicolaas, de zondige bisschop van Myra de hoofdstad van Lykië." Met
deze woorden verdween hij.
Daarop ijlde hij naar de commissaris en verscheen hem; hij sprak tot hem: "Ablabios,
beschadigd aan verstand en zinnen, sta op en maak de drie veldheren die je gevangen houdt en
die je uit geldzucht wil vernietigen, vrij. Als je ze niet wil vrijlaten, zal ik tegen u bij de grote
Koning Christus pleiten; een vreselijke ziekte zal je overkomen en je zal tot voedsel voor de
wormen worden. Je ganse familie zal op vreselijke wijze ten gronde gaan!" Toen vroeg de
commissaris: "Wie bent u, dat u zoiets uitspreekt?" Hij antwoordde: "Nicolaas ben ik, de
zondige bisschop van de hoofdstad Myra." Met deze woorden verdween hij.
Toen de keizer uit de slaap gewekt werd, riep hij zijn eerst ijlbode en droeg hem op: "Ga snel
en meld de commissaris wat ik gezien heb, deze dingen zag ik in mijn droom." Tegelijkertijd
zond ook de commissaris zijn ijlbode naar de keizer, om hem te melden wat hij had gezien.
Hoewel nog vroeg in de morgen, liet de keizer de gevangenen voorleiden; de senaat en de
commissaris waren aanwezig. Toen ze binnengekomen waren sprak de keizer tot hen: "Vertel
me, met welke tovenarijen hebt gij zulke dromen gestuurd?" Zij zwegen echter. Toen dit hen
een tweede maal gevraagd werd, antwoordde Nepotianus: "Gebieder en heerser, wij verstaan
de tovenarij niet. Mocht men echter ontdekken dat wij zoiets beoefenen of een ander
boosaardig middel ook al maar in gedachten tegen u overwogen hebben, dan zullen wij als
straf onthoofd worden, heerser." Toen vroeg de keizer hen: "Is er u een zekere Nicolaas
bekend?" Toen ze de naam Nicolaas hoorden, kwamen ze vol vertrouwen. Ze baden: "Heer,
God van de heilig Nicolaas, eens hebt U door hem drie mannen gered die ten onrechte
veroordeeld zouden worden. Bevrijd ook ons van dit dreigende gevaar, daar wij onschuldig
zijn." Nog eenmaal sprak de keizer: "Zeg mij, wie is die Nicolaas en wat betekent hij voor u?"
Toen verklaarde Nepotianos wie hij was en welk ambt hij uitoefende en wat hij voor hun ogen
gedaan had, hoe hij drie burgers voor de terechtstelling behoed had; dat vertelde hij hem. "Wij
hebben, Gebieder, in onze nood en ellende, zijn heilige gebeden ontboden en hem gesmeekt
onze voorspreker te willen zijn bij de mensvriendelijke God."
Toen sprak de keizer: "Kijk, gij zijt vrij en spreek deze man dankbaarheid uit! Want niet ik
schenk u het leven, maar God en Nicolaas, die gij ter hulp geroepen hebt. Begeef u naar Myra
en laat u daar het haar snijden, dat in de gevangenis gegroeid is; betuig hem uw dank en meld
hem ook vanwege mij: "Zie uw bevel heb ik uitgevoerd, bedreig mij niet meer, maar bid voor
mij en mijn rijk. Kom op voor de vrede op de hele wereld bij God, de Gebieder en Waker van
Alles!" Kostbare geschenken gaf hij hen mee, een met goud belegd evangelieboek, twee
gouden luchters en ander gereedschap met gouden edelstenen versierd; dat moesten ze de
heilige man, samen met een schrijven overbrengen.
Met die geschenken kwamen ze naar Lykië; ze betoonden de bisschop hun hoogachting en
vertelden wat ze meegemaakt hadden. Dan overhandigden ze de brief van de keizer en de
waardevolle geschenken. Ze lieten zich de haren scheren en deelden aan noodlijdenden hun
eigen geld uit. Daarover verheugde zich Nicolaas; hij zegende hen en stuurde hen weg met
een brief en een zegen voor de keizer. Nadat ze zo hun dank betuigd hadden en afscheid
genomen hadden, keerden de drie mannen in blijde stemming naar huis. Ze prezen de
mensvriendelijke God voor hun wonderbare redding. Hem is roem en macht in de eeuwen der
eeuwen. Amen.
Het verhaal van de drie huwbare dochters en de drie gouden bollen
naverteld door Luc Cielen
In Patara woonde er in dezelfde straat als Nicolaas, die toen nog een
jonge man was, een man met drie dochters in een groot huis. Die man was
vroeger een rijke koopman geweest en had vele jaren in weelde en rijkdom
geleefd. Maar het lot had hem tegenslag en ongeluk gebracht. Daardoor had
hij al zijn bezittingen en rijkdom verloren. Het enige wat hij nu nog bezat
was het huis waarin hij woonde. Maar hij was zo arm geworden, dat hij ook
daarin niet lang zou kunnen blijven wonen. Hij had drie dochters, die nu de
leeftijd hadden om te huwen. Maar omdat hij zo arm was, kon hij geen
bruidsschat bijeen brengen. Dus wilde niemand met één van de dochters
trouwen. In het grootste geheim had hij de tempel van Aphrodite bezocht en
met de tempeldienaar afgesproken dat hij bereid was om zijn dochters aan de
tempel te verkopen. Dan zouden zijn dochters wel in de tempel kunnen wonen,
maar zouden nooit of nooit meer kunnen trouwen en zouden heel hun leven ten
dienste moeten staan van de mannen die de tempel bezochten. Dag en uur
waarop de tempeldienaar naar zijn het huis zou komen om over de prijs te
spreken waren vastgelegd.
Nicolaas was het enige kind van zeer rijke ouders. Zijn vader was koopman
die met veel succes zaken had gedaan. Zijn moeder was een vrome
christenvrouw, die samen met haar man haar zoon Nicolaas godvruchtig had
opgevoed. Daardoor kwam het dat Nicolaas geleerd had om van zijn rijkdom uit
te delen aan armen. Nu waren beide ouders kort na elkaar gestorven en bleef
Nicolaas alleen in het huis. Hij was nu de bezitter van die grote rijkdom.
Vele kisten met goud, edelstenen en kostbaarheden waren in de kelders van
het huis opgestapeld. Nicolaas was vast van plan om niet alles voor zich te
houden. Hij wilde dat alle arme mensen in de stad ervan zouden krijgen. Maar
hij had al geleerd dat hij niet teveel ineens moest weggeven, maar dat hij
dat met beetjes moest doen, zo dat de mensen niet wisten dat hij het was die
gaf. Daarom bracht hij geld naar de kerk, waar de armen elke dag wat
voedsel, kleren en geld kregen.
Nicolaas had uit de kisten met goud een kleine beurs gevuld. Daarmee trok
hij naar de slavenmarkt. Hij had medelijden met de mensen die daar door
brutale kooplui slecht werden behandeld. Tussen de slaven zag hij een kleine
jonge zwarte. Die wilde hij uit de slavernij bevrijden. Hij gaf uit zijn
beurs wat de koopman vroeg en nam de zwarte jongen met zich mee.
- Hoe heet je? vroeg Nicolaas.
- Pieter, zei de zwarte jongen.
- Wel Pieter, zei Nicolaas, vanaf nu ben je vrij. Je mag gaan waar je
wil. Hier heb je de rest van mijn beurs. Koop mooie kleren, koop een huis of
doe ermee wat je maar wil.
Pieter keek Nicolaas stomverbaasd aan. Vrij? Vrijheid kende hij helemaal
niet. Hij was al heel zijn jonge leven slaaf geweest. En waar moest hij naar
toe? Hij kende niets of niemand in deze stad. En daarbuiten ook niet.
Toen Nicolaas terug naar huis ging, liep Pieter achter hem aan. Hij
volgde Nicolaas als een hondje. Nicolaas ging zijn huis binnen en toen hij
de deur wilde sluiten, zag hij de kleine Pieter daar staan. Pieter keek hem
zo ongelukkig aan, dat Nicolaas medelijden met hem kreeg.
- Kom maar binnen, Pieter, zei Nicolaas. Je mag hier blijven wonen. Maar
luister eens goed : je bent niet mijn slaaf. Je bent vrij. En als je op een
dag weg wil gaan, dan doe je dat maar.
Pieter was zo blij dat hij opeens een tuimeling maakte en snel naast
Nicolaas naar binnen wipte. Amper had Nicolaas zich omgedraaid om binnen te
gaan of daar stond Pieter al bij de deur en sloot die. En vanaf die dag
woonde Pieter bij Nicolaas. Het duurde niet lang of iedereen in de stad
kende Nicolaas en zijn knecht Pieter.
Op een avond kwamen Nicolaas en Pieter terug naar huis. Ze kwamen voorbij
het huis van de man met de drie dochters. Opeens hoorden ze hoe daarbinnen
droevig gesnik weerklonk. Nicolaas en Pieter bleven staan. Door het open
raam hoorden ze de drie meisjes tegen elkaar spreken. Over de tempeldienaar
die beneden bij hun vader was. Hoe ze binnenkort naar de tempel zouden
verhuizen en nooit een echtgenoot zouden krijgen. Hoe ze dan altijd ten
dienste zouden moeten staan van vreemde mannen. Ze beklaagden zich om het
ongelukkige leven dat hen te wachten stond.
Nicolaas en Pieter keken elkaar aan. Ze wisten dat de vader van de drie
meisjes arm was, maar dat het zo erg gesteld was met hem, dat hij bereid was
zijn dochters aan de tempel van Aphrodite te verkopen, dat hadden ze niet
verwacht.
De hele avond was Nicolaas in gedachten bij de drie meisjes. Zijn besluit
stond vast. Hij zou hen helpen. Maar hoe ?
Pieter stond bij het raam naar buiten te kijken. Plots zag hij hoe de
deur bij de arme man openging en hij zag twee mannen naar buiten komen.
- Morgen kom ik met het geld, hoorde hij de ene man zacht tegen de andere
zeggen en dan neem ik de oudste dochter mee.
- Zoals afgesproken, zei de tweede man. Ik doe het niet graag, maar ik
heb geen andere keuze.
- Zorg maar dat ze klaar is, zei de eerst man. Morgenavond als het donker
is, neem ik haar mee.
Toen ging de ene man haastig weg, de kap van zijn mantel over zijn hoofd
getrokken. De ander ging naar binnen en sloot zo stil hij kon de deur.
Pieter liep snel naar Nicolaas en vertelde wat hij gehoord en gezien had.
- Kom Pieter, zei Nicolaas, nu is het aan ons. Ga al maar naar de deur en
wacht op mij. Ik kom direct.
Haastig snelde Nicolaas de trap af naar de kelder. Hij opende een van de
kisten die daar stond en nam een grote gouden bal eruit. Die bal woog zo
zwaar als lood, maar was van puur goud. Hij was héél veel geld waard.
Nicolaas draaide er een doek om, zodat de glans van het goud verborgen
bleef. Toen kwam hij terug bij Pieter. Ze liepen de straat op. Ze stonden
voor het huis van de man met de drie dochters. Ze luisterden. Het was stil
daarbinnen. Wel scheen er nog een flauw licht door het venster boven. Er was
dus nog iemand wakker.
- We moeten nog wat wachten Pieter. We komen straks terug.
Ze liepen terug naar huis.
Pieter ging weer bij het raam staan. Maar na een uur was het licht aan de
overkant nog steeds niet gedoofd. En Pieter werd ongeduldig.
- Nicolaas, dat licht blijft maar branden. Die man gaat zeker niet slapen
vannacht.
- Ja, Pieter, dan zullen we niet kunnen doen wat we van plan waren.
- Jamaar, Nicolaas, dat kan niet. Als we vannacht niet gaan, dan is het
te laat. Morgen komt de tempeldienaar terug.
- Dat mogen we niet toelaten, zei Nicolaas.
- Nee, zeker niet, riep Pieter. Ik zal hem vastpakken. En vechten. Dan
moet hij wel gaan lopen en neemt hij de oudste dochter lekker niet mee.
- Pieter, Pieter, dat kunnen we niet doen. Dat vechten is er teveel aan.
Wat gaan de mensen dan niet van ons zeggen. Nicolaas en Pieter, de
vechtersbazen die andere mensen zomaar aanvallen. Nee, Pieter, de mensen
gaan schrik van ons krijgen.
- Maar wat dan, Nicolaas?
- We zullen toch vannacht moeten gaan. Maar héél, héél stil zijn. Zeg,
Pieter, denk je dat je tegen de muur op zou kunnen klimmen om de gouden bal
door het venster binnen te leggen?
- O, gemakkelijk zal het niet zijn, maar ik kan dat!
- Kom, dan zijn we weg.
Weer gingen Nicolaas en Pieter de straat op. onder het verlicht raam
bleven ze staan. Pieter zocht met de toppen van zijn vingers de diepe voegen
tussen de grote stenen van het huis. Toen trok hij zich omhoog. Zijn voeten
zochten en vonden steun. Weer klom hij wat hoger en op een, twee, drie was
hij al zo hoog dat hij bij het raam kon. Lenig als een kat sprong hij naar
beneden.
- Zo is 't een makkie, fluisterde hij.
- Maar nu met de gouden bal, Pieter!
- Moet gaan!
En weg was Pieter, de gouden bal in het doek gewikkeld in één hand. Met
de andere hand trok hij zich omhoog. Hij rustte even. Steunend op zijn
voeten, de bal tussen zichzelf en de muur geklemd zocht hij nieuwe steun
voor zijn vingers. Hij zetten zijn ene hand onder de bal, trok zich verder
omhoog. Hoger en hoger klom hij. Nicolaas stond beneden vol spanning te
kijken; klaar om Pieter en de gouden bal op te vangen mocht een van beide
vallen. Daar was Pieter bij het raam. Heel even keek hij naar binnen. Hij
zag de arme man op een stoel zitten in een lege, kale kamer. Een klein
olielichtje stond op de tafel. De man steunde het hoofd in zijn handen, de
ellebogen op de tafel. Hij had duidelijk niets gehoord, het was muisstil.
Toen schoof Pieter de gouden bal op de vensterbank.
Heel even zat hij daar heel stil, onbeweeglijk.
Toen gaf hij de bal een duw. Met een korte plof kwam de bal neer op de
vloer van de kamer. Maar tegelijk was Pieter naar beneden gesprongen. Zo
snel als de weerlicht renden hij en Nicolaas naar huis. Sloten de deur zo
zacht dat niemand het hoorde. En binnen kwamen ze op adem.
- Prachtig werk Pieter. Het is gelukt!
- En nu maar afwachten, zei Pieter. Ik zou toch wel eens graag het
gezicht van die man zien!
In het huis aan de overkant had de vader van de drie dochters de plof
achter zich gehoord. Hij draaide zich om en zag een doek over de grond
rollen. Er zat iets in dat doek. Hij schrok, want hij wist niet wat het was.
Toen het doek stil bleef liggen, stond hij op. Zijn hart bonsde. Voorzichtig
naderde hij het doek. Zat daar een kat onder? Het was in elk geval iets dat
kon bewegen. Hij raakte het met de tip van zijn schoen aan. Het rolde weg.
Weer bleef hij staan, zich afvragend wat dat wel mocht zijn. Toen zag hij
opeens iets schitteren. Het doek was een klein beetje opengegaan tijdens het
rollen. Het goud was zichtbaar. Snel bukte de man zich nu, zag het goud nam
het doek, trok het weg, daar rolde een schitterend gouden bal over de vloer
van de kamer. De man liep er achteraan. Hij nam hem op. Wat woog die bal
zwaar. Dat was puur goud! Daar stond hij nu met de gouden bal in de handen.
Vanwaar zou die komen? Had een dief die naar binnen gegooid om er vanaf te
zijn? Dan zou die morgen of overmorgen zeker langs komen om hem de bal weer
af te nemen. Maar dan liep hij ook gevaar. Misschien was het wel een hele
dievenbende. Of had iemand de bal naar binnen geworpen om hem later aan te
klagen wegens diefstal? Dan zou het hem nog erger kunnen vergaan. Wat moest
hij nu doen? Ach, misschien had iemand hem die bal gegeven. Dan was het een
geschenk van God. Hij had trouwens al meer gehoord van wonderbare giften. De
jongste jaren waren er in Patara wel meer mensen die plotseling, zonder te
weten van wie het kwam, geld of goudstukken hadden gekregen. En dan nog wel
net op het moment dat hun nood het hoogst was. En dat was bij hem toch ook
zo. Morgenavond zou de tempeldienaar zijn oudste dochter onherroepelijk
komen weghalen. Hij verborg de gouden bal zorgvuldig. Hij zou wel even
afwachten.
De volgende dag bleef hij de hele dag binnenshuis. Niemand klopte aan.
Niemand vroeg om binnengelaten te worden. Jawel, 's avonds, toen het donker
was. Maar dat was de tempeldienaar. Hij droeg een beurs vol goudstukken. Die
leegde hij op tafel en zei:
- Het is tijd, roep je oudste dochter.
Maar de vader zei:
- Ik heb de hele nacht geen oog dichtgedaan. Geef me nog een week
bedenktijd. Als ik tegen die tijd geen oplossing heb gevonden, verzeker ik
je dat mijn oudste dochter mee mag nemen.
De tempeldienaar wilde daar eerst niet van weten. Hij maakte zich kwaad.
Maar de vader hield voet bij stuk. Tenslotte stak de tempeldienaar de beurs
met goudstukken weer bij zich en verdween.
Pieter zag hem weggaan. Hij verwittigde Nicolaas.
- Goed gewerkt, Pieter, zei Nicolaas. Dank zij jou is de gouden bal net
op tijd gekomen. De dochters zijn gered.
Enkele dagen gebeurde er niets. De vader wachtte af. Toen er geen
geruchten verspreid werden over diefstal en er ook niemand was die hem
aanklaagde, kreeg hij weer vertrouwen. Op een morgen zag Pieter hoe de vader
heel vroeg vertrok. Hij droeg een zak op zijn rug. Daar staken zo te zien
alleen maar vodden in. Het was al laat op de avond toen de man terugkeerde.
Hij was naar de markt geweest in een stad ver weg. Daar had hij aan een
goudsmid de gouden bal verkocht en er héél veel geld voor gekregen. Met dat
geld was hij naar een huwelijksmakelaar gegaan. Die zou er nu voor zorgen
dat er een goede man gevonden werd voor zijn oudste dochter.
De week was om en daar stond de tempeldienaar weer. Hij eiste dat de
oudste dochter nu mee zou gaan. Maar de vader wees hem de deur en zei:
- Mijn dochter heeft een geschikte echtgenoot gevonden. Ze zal trouwen.
- Maar je hebt nog twee dochters, zei de tempeldienaar. Geef één van hen
nu mee.
- Nee, zei de vader. Pas als mijn oudste gehuwd is, kan je de tweede
krijgen. Eerder niet. Zo hebben we afgesproken.
- Ik kom terug, zei de tempeldienaar.
Enige tijd later werd er in het huis tegenover dat van Nicolaas en Pieter
een groot bruiloftsfeest gehouden. Vele rijke genodigden zaten er aan de
tafels. Er werd gegeten en gedronken, er werd gedanst en dag en nacht klonk
er vrolijke muziek. Daarna werd het weer stil. Dankzij Nicolaas en Pieter
was de oudste dochter goed getrouwd. Maar niemand wist aan wie ze dat te
danken had.
Weken en maanden gingen voorbij. Het was duidelijk dat de vader al het
geld dat hij voor de gouden bal had gekregen, had gebruikt voor zijn oudste
dochter. Voor de twee ander meisjes was er weer de armoede. Maar ze spraken
stilletjes met elkaar af, dat als er nog eens zo'n wonder zou gebeuren, dat
ze dan samen zouden blijven. Ze gingen naar hun vader :
- Vader, wanneer mogen wij trouwen?
- Dat is onmogelijk, zei de vader, jullie kunnen niet trouwen. Er is geen
geld. Als er geen nieuw wonder gebeurt, zullen jullie toch naar de tempel
gaan. Er is geen andere uitweg.
- Maar vader, als er nu toch weer een wonder zou gebeuren en je hebt weer
veel geld, laat ons dan samen trouwen; we zullen het geld delen.
- Daar kan geen sprake van zijn, riep de vader. Als er weer geld komt -
maar dat verwacht ik niet, want wie maakt er in zijn leven twee keer zo'n
wonder mee!- dan zal de oudste van jullie huwen met de man die ik kies. En
jij, de jongste, zult wachten. Zo hoort het!
De twee meisjes zetten zich bij het venster op de bank. Ze troostten
elkaar. En dat hoorde Pieter.
Snel liep hij naar Nicolaas.
- Ik vrees dat de tempeldienaar weer gaat komen, zei hij. Ik heb de
meisjes horen wenen en klagen.
- Dan gaan we vanavond weer op pad, zei Nicolaas.
Inderdaad kwam die avond de tempeldienaar weer bij het huis van de
meisjes. Pieter stond bij het raam te kijken en te luisteren. Weer gebeurde
alles zoals vorige keer. Toen de tempeldienaar weg was, haalde Nicolaas een
tweede gouden bal uit de kelder, wikkelde hem in een doek en samen met
Pieter trok hij naar de overkant van de straat.
Daar zat de vader weer met de handen in het haar. Toch was hij iets
minder wanhopig dan de vorige keer, want hij hoopte een heel klein beetje
dat het wonder zich zou herhalen. Hij hield zich stil, maar luisterde heel
aandachtig.
Opeens hoorde hij achter zich eenzelfde plof als de vorige keer. Hij
sprong op. Liep naar het venster, maar zag niemand. Het was daar buiten ook
zo aardedonker. Hij hoorde ook geen geluid. Maar daar in de kamer lag weer
een doek, met iets eronder. Wat? Hij trok het doek weg. Een gouden bal! Het
wonder was weer gebeurd!
Snel wikkelde hij het doek weer rond de gouden bal en verstopte hem. De
volgende morgen vertrok hij in alle vroegte, ging naar de goudsmid, kreeg
veel geld voor de bal, trok met dat geld naar de huwelijksmakelaar en zocht
een man uit voor zijn tweede dochter.
Pieter zag hem die avond thuiskomen. Kort daarna zag hij ook de
tempeldienaar het huis binnengaan en een tijd later weer kwaad naar buiten
komen. Pieter danste van plezier en wreef in zijn handen:
- Het is weer gelukt!
Enkele weken later hoorden Nicolaas en Pieter de muziek van het
bruiloftsfeest. Ze konden die nacht niet slapen. Niet alleen omwille van de
muziek, die ook in hun huis heel duidelijk te horen was, maar vooral omwille
van het geluk van de tweede dochter.
Toen bleef alleen de jongste over. Met haar vader en de armoede die na de
bruiloft weergekeerd was in het huis.
- Vader, wat moet er nu met mij gebeuren? vroeg het meisje.
- Mijn kind, je weet dat ik veel van je houd. Maar ik heb geen ander
keuze dan je aan de tempeldienaar te verkopen. Je wil toch niet dat we
binnenkort op straat gezet worden. Ik heb geen geld meer om dit huis te
onderhouden. Ik zal het moeten verkopen, tenzij jij naar de tempel gaat. Dan
kan ik hier blijven wonen. Dat wil je je oude vader toch wel gunnen.
De jongste dochter trok zich schreiend terug op de vensterbank. Ze
staarde naar buiten. Dikke tranen rolden over haar kaken. Toevallig (?) kwam
Pieter voorbij. Hij zag het meisje zitten. Hij wist direct hoe laat het was.
- Nicolaas, zei Pieter toen hij thuisgekomen was, nu moeten we ook iets
doen voor de jongste dochter.
- Is het alweer zover Pieter? Heeft de vader nog niet geleerd dat hij
niet alles ineens moet opdoen, maar wat moet sparen? Ik kan toch niet steeds
dezelfde mensen helpen? Er zijn nog andere mensen die mij nodig hebben.
- Maar Nicolaas, we hebben de twee oudste dochters geholpen, nu moeten we
de jongste ook helpen.
- Denk je echt Pieter dat we daar goed aan doen?
- Zeker en vast, Nicolaas. We moeten dat doen. Geef me maar gauw een
gouden bal, ik breng hem wel!
- Nee, Pieter, zo niet. Ten eerste : ik ga met je mee en ten tweede we
wachten tot het donker is, want ik wil niet dat iemand ooit te weten komt
dat wij het zijn die de gouden ballen hebben gebracht. Vanavond als het
donker is zullen we gaan.
Maar die avond kwam ook de tempeldienaar. Hij was eerder dan Nicolaas en
Pieter. Pieter die weer bij het raam stond te luistervinken, had het gezien.
Hij hoorde de tempeldienaar schelden en roepen en tieren. Hij beschuldigde
de man van woordbreuk en valsheid en als hij morgen zijn jongste dochter
niet mee zou geven, dan zou hij alles bekend maken. De tempeldienaar liep
woedend weg, de deur met een klap achter zich dichtslaand.
- Nicolaas, komaan, zei Pieter, ik ga klimmen. Breng me gauw die gouden
bal.
- En als ik nu eens geen gouden bal meer heb? zei Nicolaas.
- Dat geloof ik niet, zei Pieter, alle goeie dingen bestaan uit drie.
Kijk maar eens in de schatkisten van je.
Nicolaas lachte
- Natuurlijk was er nog een gouden bal, zei hij Ik wilde je alleen maar
even plagen. Kom nu.
Pieter rolde en tuimelde bijna de deur uit. Zo gehaast was hij. Hij wist
nu ook heel goed hoe rap hij naar boven kon klimmen. Niemand zou het hem
kunnen nadoen, zo lenig en snel was hij.
In het huis aan de overkant liep de man onrustig heen en weer. Zou er
weer een wonder gebeuren? Nu moest hij toch te weten komen wie het was.
Eerst ging hij weer zitten aan de tafel. Dan sprong hij weer op en liep naar
de deur. Zou hij die opendoen en eens kijken of er iemand op straat was?
Nee, liever dicht laten. Of bij het venster gaan staan? Ook geen goed idee.
Terwijl hij nog zo liep te twijfelen wat hij ging doen, hoorde hij de
bekende plof. Het was meer een bons nu, want een gouden bal, zonder doek
eromheen, rolde over de vloer. Ineens was de man bij de deur, rukte ze open
en zag nog net twee donkere gestalten wegrennen. Hij er achteraan! Hij liep
zoals hij nog nooit gelopen had. Hij kwam dichter. Een van de twee gestalten
kon duidelijk niet zo snel lopen, de ander zag hij al niet meer. Daar had
hij hem. Bij de slip van zijn kleed. De gestalte viel. De man sprong
erbovenop. Hij greep de handen vast, trok ze op de rug. De man onder hem
smeekte om op te houden, maar hij liet niet los. Plots voelde hij hoe de
ander boven op hem sprong. Hij gilde het uit van de pijn, want de tweede
gestalte trok aan zijn haren, oren en armen. Hij rukte en rukte. Toen moest
hij de gestalte onder hem loslaten. Die draaide zich om. En in het zwakke
maanlicht zag hij plots wie het was De man riep uit :
- Nicolaas! Nicolaas! ben jij dat? Ben jij het die de gouden ballen heeft
gebracht?
- Ja, zei Nicolaas.
De drie mannen stonden recht. Klopten het stof en het vuil van hun
kleren.
- Kom mee naar binnen, zei de vader.
Nicolaas en Pieter volgden.
De vader schudde de handen van Nicolaas, toen knielde hij voor hem neer,
met het hoofd tot tegen de grond.
- O, Nicolaas, hoe zal ik u ooit kunnen danken. Jij hebt mijn drie
dochters gered.
- Sta op, zei Nicolaas en luister.
De man stond op.
- Vertel nooit of nooit aan iemand wat ik voor je dochters heb gedaan,
beloof het me!
- Ik beloof je, Nicolaas, dat ik zolang ik leef zal zwijgen.
- Goed, zei Nicolaas. Hij keerde zich om, nam Pieter mee en ging naar
huis terug. Nu moesten ze de deur niet zachtjes sluiten. Het hoefde niet
meer. Alles was toch uitgekomen. Nu moesten ze maar hopen dat de man zou
zwijgen.
Enkele weken later werd er voor de derde keer bruiloft gehouden.
De man hield woord. Hoe wonderbaarlijk het ook voor iedereen leek dat hij
tot driemaal toe voldoende geld had gevonden om zijn dochters uit te
huwelijken, toch ging hij nooit op de vragen van de mensen in. Hij hield de
lippen stijf op elkaar.
Hij mocht het beleven dat zijn dochters kinderen kregen. Hij genoot van
het spel van de kleinkinderen. Zijn leven was weer vol zonneschijn. Hij werd
heel oud. Nicolaas woonde toen allang niet meer in Patara, maar was bisschop
geworden in Myra.
Toen de man op zijn sterfbed lag en zijn drie dochters aan zijn zijde
stonden, verklapte hij hen zijn grote geheim, vlak voor hij stierf. Het
waren zijn laatste woorden. Toen beseften zijn dochters, temidden van hun
droefheid om het heengaan van hun vader, aan wie ze hun geluk te danken
hadden. En omdat zij niet verplicht waren om daarover te zwijgen, vertelden
zij aan allen over de grote goedheid en vrijgevigheid van Nicolaas, de
bisschop van Myra.
Omwille van deze legende werd Sint Nicolaas afgebeeld met de drie bollen
of drie broden. Het geven van een hart van speculaas lijkt ook voortgekomen
te zijn uit deze legende.
Bronnen :
-Rita Ghesquiere, Van Nicolaas van Myra tot Sinterklaas. Deze legende
komt in de Vita per Michaelem, geschreven tussen 750 en 850. In deze meest
oorspronkelijke versie wordt er niet gesproken over Pieter. (legende in
vorige Rinkkrant (04-11)
- Anton Van Duinkerken : Geschiedenis van Sinterklaas 1948. In dit
boekje verwerkt de auteur verschillende legenden tot één geheel. Hij voegt
de figuur van Pieter toe.
DE LEGENDE VAN DE DRIE KINDEREN IN HET PEKELVAT
Er bestaat een heel mooi Frans lied waarin die legende - ze gaat over de drie
kinderen die door een slager in de pekel worden gelegd, maar de Sint wekt ze op
uit de doden - wordt verteld. Plaats en tijd zijn in deze tekst niet nader
aangeduid, maar in onze streken wordt deze legende meestal geplaatst in het
Vlaamse land; de tijd kan liggen tussen vroege Middeleeuwen en halverwege
twintigste eeuw.
Eerst de Franse berijmde tekst, dan de Nederlandse vertaling, helaas niet op
rijm.
LE MIRACLE DE SAINT NICOLAS
Il était
trois petits enfants
Qui s'en allaient glaner aux champs.
S' en vont au soir chez un boucher
'Boucher, voudrais-tu nous coucher?'
'Entrez, entrez, petits enfants.
II y a d' la place assur ément'
lls n' étaient
pas sitôt
entrés'
Que le boucher les a tu és
...
Les a coup és
en p'tits morceaux,
Mis au saloir comme pourceaux !
Saint Nicolas, au bout d'sept ans,
Vint à
passer dedans ce champ,
Alla frapper chez le boucher:
'Boucher, voudrais-tu me loger?'
Entrez, entrez, saint Nicolas,
II y a d'la place, il n'n manque pas.'
II n' était
pas sitôt
entré
Qu'il a demand ée-s-à
souper..;
'Voulez-vous un morceau d' jambon?'
'Je n'en veux pas, i1 n'est pas bon !'
'Voulez-vous un morceau de veau ?'
'Je n'en veux pas, il n'est pas beau !"
Du petit sal é
je veux avoir
Qui y'a sept ans qu'est dans l' saloir.'
Quand le boucher entendit
ça,
Hors de la porte i1 s'enfuya.
'Boucher, boucher, ne t'enfuis pas,
Repens-toi, Dieu t' pardonnera.'
Saint Nicolas alla s'asseoir
Dessus le bord de ce saloir.
'Petits enfants, qui dormez l à,
Je suis le grand Saint Nicolas.'
Et le grand saint étendait
trois doigts ...
Les p'tits se l èvent
tous les trois.
Le premier dit: 'J'ai bien dormi.'
Le second dit: "Et moi aussi !'
Et le troisi ème
répondit:
'Je me croyais en Paradis' ...
HET MIRAKEL VAN SINTERKLAAS
Er waren drie kindertjes
die gingen uit aren lezen op het veld
Ze kwamen op een avond bij een slager:
'Slager, zouden we bij je kunnen slapen?'
'Kom binnen, kom binnen, kinderen.
Natuurlijk is er plaats.'
Ze waren nog niet binnen
Of de slager doodde ze ...
Hakte ze in stukjes,
Stopte ze als biggetjes in de pekel.
Na zeven jaar kwam Sinterklaas
toevallig langs in die contreien
Klopte aan bij de slager:
'Slager, zou ik bij je kunnen overnachten?'
'Kom binnen, kom binnen, Sint Nicolaas,
Er is plaats, daaraan is geen gebrek.'
Nauwelijks was hij binnen
Of hij vroeg om het avondmaal...
'Wat zal het zijn? Ham?'
'Nee, dank je, die is niet goed!'
'Wilt u dan een stuk kalfsvlees?'
'Nee, dat ziet er niet mooi uit !'
'Vers kindervlees wil ik hebben
Dat sinds zeven jaar in de pekel ligt !'
Toen de slager dat hoorde,
Vluchtte hij de deur uit.
'Slager, slager, vlucht niet weg,
Heb berouw, God zal je vergeven!'
Sint Nicolaas ging zitten
Op de rand van de pekelbak.
'Kinderen, jullie die daar slapen,
Ik ben de grote Sint Nicolaas.'
En de grote heilige hield drie vingers omhoog ...
De kleintjes stonden alle drie op.
De eerste zei: 'Ik heb goed geslapen.'
De tweede zei: 'En ik ook !"
En de derde antwoordde:
'Ik waande me in het Paradijs' ....
NICOLAAS HELPT BOER IWAN
Een Russische legende
Langs de akker van Iwan liepen twee mannen; de oudste van hen liep op een
staf geleund en was al grijs, van de ander was het moeilijk om te bepalen of hij
jong of oud was, maar hij zag er streng uit. Het waren Nicolaas en Elias. Ze
keken naar Iwan die druk bezig was. Hij had zijn akker geploegd, toen tarwe
gezaaid en daarna weer geploegd. Hij was klaar en stond op het punt om naar huis
te gaan. Iwan had maar weinig land en het leven was hard. Hij had zijn vrouw en
kinderen verloren en zorgde helemaal alleen voor zijn kleine boerderij. Nooit
kwam er een klacht over zijn lippen; hij had het leven aanvaard zoals God het
hem gegeven had en het wilde. Iwan was altijd opgewekt en zong steeds uit volle
borst. Zo deed hij ook nu weer en Elias zei tegen Nicolaas: 'Waarom zou die boer
zo vrolijk zijn?'
'Waarom zou hij niet zingen?' vroeg Nicolaas, 'ik denk dat hij tevreden is
met wat hij heeft en dat zijn paarden goed gezond zijn.'
De beide mannen naderden Iwan en Nicolaas hield hem staande en sprak: 'Moge
God u helpen, Iwan.'
'Ik groet u, goede mensen', antwoordde Iwan hun, terwijl hij zijn muts afnam.
'Zeg ons toch, hoe komt het dat je zo vrolijk bent?' vroeg Nicolaas. 'Waarom zou
ik dat niet zijn? Mijn dieren zijn gezond en kunnen goed werken en ik ben
tevreden. Het enige waar ik om vraag is dat vadertje Nicolaas mij een goede
tarweoogst geeft.'
Iwan groette nogmaals en ging zijns weegs, terwijl de twee wandelaars hun weg
vervolgden.
En Elias zei tegen Nicolaas: 'Wat hoorde ik die boer zeggen? Groeit de tarwe
doordat jij ervoor zorgt? Dat is toch niet juist, dat doe je niet! Ik, Elias,
ben het, die voor het groeien van de tarwe zorgt!'
'Ach', zei Nicolaas, om de boer in bescherming te nemen, 'het is maar een
eenvoudige man, hoe zou hij dat precies moeten weten? Je moet hem niet te streng
beoordelen.'
'Dan zal ik hem leren wie er voor zijn oogst zorgt', zei Elias. 'Eerst zal
zijn tarwe flink groeien en er mooi uitzien en dan zal ik ervoor zorgen dat een
hagelbui zijn hele oogst zal vernielen!'
En zo gebeurde het ook: de tarwe groeide prachtig op, het was een lust om
naar te kijken. Iwan was verheugd en riep uit: 'Vadertje Nicolaas is mij zeer
genadig. Kijk eens wat een goede oogst. Ik zal meer tarwe hebben dan ik in mijn
schuur kan bergen.'
Die avond liep Iwan naar zijn akker en terwijl hij ernaar stond te kijken
zong hij een vrolijk lied. Toen zag hij in de verte een oude man met een staf
naderen. 'Goedenavond, grootvadertje' , zei Iwan en begroette hem vriendelijk.
De oude man was niemand anders dan Nicolaas, die medelijden met de boer had.
Zijn hele oogst zou immers vernietigd worden.
'Je moet goed naar me luisteren, Iwan. Verkoop je tarwe zoals ze er nu bij
staat.'
'Waarom zou ik dat doen?' vroeg Iwan geschrokken. 'Waarom zou ik deze mooie
tarwe verkopen? En wat zou ik ervoor moeten vragen?'
'Vraag er maar voor zoveel als je wilt, ik denk dat men er dat wel voor zal
willen betalen. Vergeet het niet: verkoop deze tarwe zo snel mogelijk.'
Toen draaide de oude man Iwan de rug toe en liep verder.
En Iwan volgde de raad van de oude man op en verkocht de tarwe aan een rijke
buurman die er wel tweehonderd roebel voor betaalde. Maar de dag was nog niet om
of er ontstond een geweldig onweer en een verschrikkelijk noodweer raasde over
Iwans akker. De hagelstenen sloegen de tarwe neer tot alles er geknakt en kapot
bij lag. Het leek wel of iemand de tarwe met een mes had afgesneden.
En Nicolaas liep langs de akker en bekeek de schade die door de hagelstenen
was aangericht. Daar ontmoette hij Elias.
'Zie je, ik heb gedaan wat ik je heb gezegd. Van Iwans tarwe is niets meer
over.' 'Maar weet je dan niet', zei Nicolaas, 'dat Iwan zijn oogst aan zijn
buurman verkocht heeft? Je hebt de oogst van een ander, die nog nooit tegen je
gezondigd heeft, vernietigd. Hij zal zijn lot wel beklagen!'
'Dat wist ik niet', sprak Elias. 'Ik zal ervoor zorgen dat de tarwe weer zal
groeien en dat hij meer zal oogsten dan een akker ooit opgeleverd heeft.' Het
was al laat in de avond toen Nicolaas bij de boerderij van Iwan aankwam. Hij
wilde hem helpen en ervoor zorgen dat hij de overvloedige oogst die Elias
beloofd had, niet zou hoeven te missen.
Nicolaas zag Iwan voor de icoon van de heilige Nicolaas staan. De boer dankte
hem dat hij die oude man had gezonden, die hem zo'n goed advies gegeven had.
Toen hij zich omdraaide zag hij de oude man voor het raam staan en hij haastte
zich naar buiten om hem uit te nodigen.
De oude man bedankte hem voor de uitnodiging en zei: 'Ik moet vanavond nog
een heel eind verder, maar ik wil je een goede raad geven: Ga naar je buurman en
koop de tarwe op je akker terug.'
'Maar grootvadertje, waarom zou ik dat doen? Wie koopt er nu de door de hagel
neergeslagen tarwe? Alles is toch vernietigd.'
'Als je mijn raad wilt opvolgen, ga dan naar je buurman en koop de oogst. Zeg
maar dat je haar gebruiken wilt om je dieren te voeren.'
De oude man nam afscheid en Iwan bedankte hem voor de raad. De volgende
ochtend vroeg ging hij naar zijn buurman en sprak: 'Buurman mag ik de tarweoogst
van je terugkopen?'
De buurman was heel blij met dat voorstel. De neergeslagen tarwe had immers
geen waarde meer. Je zou haar zelfs voor niets kunnen weggeven. Maar Iwan
betaalde er toch honderd roebel voor; dat was de helft van het bedrag dat hij
van zijn buurman gekregen had.
De buurman was zeer verheugd, maar tot zijn verbazing en die van het hele
dorp, richtte de tarwe zich in de loop van de dag weer op en groeide weliger dan
ooit. Nooit had iemand zo'n veld met tarwe gezien. Het waren zoveel aren en ze
waren zo vol. Daarop moest wel de zegen van de Heer rusten.
En de oogsttijd kwam en Iwan oogstte en bond duizend garven bijeen.
Nicolaas en Elias wandelden langs de akker en terwijl Elias vrolijk keek
sprak hij: 'Zie je wel Nicolaas, weliswaar heb ik eerst een onschuldige
gestraft, maar nu heb ik hem meer dan rijkelijk beloond. Zie eens hoeveel garven
er samengebonden staan!'
Nicolaas schudde zachtjes zijn hoofd. 'Maar je hebt je vergist. Weet je dan
niet dat Iwan zijn tarwe teruggekocht heeft? Het is boer Iwans oogst die hier
staat.'
'Wat zeg je daar?'
'Het is echt waar, Iwan heeft zijn tarwe teruggekocht.'
Nicolaas vertelde Elias hoe Iwan de kapotgeslagen tarwe voor de helft van het
bedrag dat hij eerst had ontvangen van zijn buurman had teruggekocht. Elias werd
vreselijk boos. 'Ik zal ervoor zorgen dat Iwan niet in staat is de oogst te
dorsen!'
Maar Nicolaas wilde de vrolijke boer niet in de steek laten en wederom
verscheen hij voor het raam van Iwans boerderij. De boer haastte zich naar
buiten om de oude man te danken voor zijn goede raad.
'Luister eens,' zei de oude man tegen Iwan, 'neem bij het dorsen nooit meer
dan vijf garven. Zet er in iedere hoek een en plaats de vijfde zo voor het raam
dat niemand van buitenaf kan zien wat er binnen gebeurt.'
Iwan volgde de raad van de oude man precies op. Het kostte hem veel tijd
alles te dorsen, maar de oogst die hij ontving was overweldigend. Nog nooit
hadden de boeren ervan gehoord dat er van een akker zoveel tarwe kon komen.
Elias en Nicolaas liepen over het veld naar de boerderij van Iwan. Elias
wilde zich ervan overtuigen dat Iwans oogst niet te dorsen was. Hij keek overal
rond op de boerderij van Iwan en zag dat alle schuren vol met tarwe waren. Elias
werd verschrikkelijk boos.
'Hij zal zijn straf niet ontlopen', zei hij. 'Ik zal ervoor zorgen dat er
steeds een derde deel van het graan dat hij naar de molen brengt bij het malen
verdwijnt.' En zo gebeurde het ook. En de arme Iwan begreep niet wat er gebeurd
was. Maar 's nachts klopte de oude man weer bij hem aan het raam en gaf hem
nogmaals zijn raad. De volgende dag zou het de feestdag van Sint-Nicolaas zijn.
'Bak van je tarwemeel twee heerlijke pasteien. Denk erom dat je je gebed
uitspreekt terwijl je de broden klaar maakt. En als ze klaar zijn breng je ze
naar de kerk. De ene pastei leg je op je hoofd en de andere neem je onder je
rechterarm. Die op je hoofd is bestemd voor Elias de gestrenge en die onder je
rechterarm is voor Nicolaas de genadige.'
Toen Iwan de volgende ochtend met zijn twee broden naar de kerk liep
ontmoette hij een man die er niet oud en niet jong uitzag. Zijn blik was streng.
'Wat heb je daar voor heerlijke pasteien, waar breng je die heen?'
En Iwan antwoordde: 'De pastei op mijn hoofd is voor Elias de gestrenge en
die onder mijn rechterarm is voor Nicolaas de genadige.'
Toen Elias die wijze woorden hoorde bedacht hij zich en besloot Iwan niet
verder te straffen.
En Iwan was gelukkig, want hij kreeg steeds evenveel meel als hij tarwe naar
de molen bracht. Iedere avond stond hij voor de icoon van de heilige Nicolaas en
dankte hem voor zijn milde gaven.
SINTERKLAASVERHAAL VOOR DE KLEUTERS
Luc Cielen
De Zwarte Pieten waren heel hard aan het werk. Zij tekenden en schilderden,
ze timmerden en schaafden, ze plooiden en plakten, ze renden en ze zweetten, ze
kneedden marsepein en bakten ijverig heerlijke speculaas. Ze stookten de oven zo
heet, dat de hele hemel er rood van zag.
Toen maakte Sinterklaas zich klaar om met al de geschenken die de Zwarte
Pieten hadden gemaakt, naar de kinderen te gaan.
Maar Sinterklaas zei :
Hoe kan ik nu zien dat de kinderen blij en dankbaar zijn met de geschenken
die zij van mij gaan krijgen ?
Sinterklaas zag de zon hoog aan de hemel staan en hij zei :
Ik zal het eens aan de zon vragen. Die komt overal en die ziet alles. Zij zal
dat wel weten.
Toen ging Sinterklaas naar de zon en zei :
Goede morgen, zon.
En de zon zag Sinterklaas en zei :
Goede morgen Sinterklaas.
Beste zon, zei Sinterklaas, hoe kunnen de kinderen laten zien dat ze blij en
dankbaar zijn met de geschenken die ik hen geef ?
Wel Sinterklaas, zei de zon, ik zal ze wat van mijn stralen geven, dan gaan
ze zelf stralen als ze uw geschenken krijgen.
Beste zon, zei Sinterklaas, kom dan met mij mee en geef wat van je stralen
aan elk kind, zodat ze zelf kunnen gaan stralen als zonnetjes.
Ja maar Sinterklaas, zei de zon, ik wil wel meegaan, maar dan moet de maan
ook meegaan.
En waarom moet de maan meegaan, beste zon ?
Omdat zij de kinderen ook altijd kan zien. Als de kinderen slapen, dan
schijnt het maanlicht héél zacht tot diep in de hartjes van de kinderen. En
daarvan worden de kinderen zó stil en lief dat ze de mooiste liederen voor u
gaan zingen.
Goed, zei Sinterklaas, ik zal de maan vragen om mee te gaan.
En Sinterklaas ging naar de maan.
Goeden avond maan.
Goeden avond Sinterklaas.
Beste maan, zei Sinterklaas, kan jij me helpen om de kinderen blij en
dankbaar te maken als ze geschenken van mij krijgen ?
Wel Sinterklaas, zei de maan, ik zal mijn zachtste maanlicht tot diep in hun
hartjes laten schijnen. Dan worden ze zo stil en lief en dan zullen ze de
mooiste liederen voor u zingen.
Dat is goed, zei Sinterklaas. Wel maan, wil je dan met mij meegaan naar de
kinderen en in hun hartjes stralen ?
Zeker, Sinterklaas, maar dan moeten de sterren ook meegaan.
En waarom moeten de sterren meegaan, beste maan ?
Omdat zij de kinderen zoete dromen sturen, waardoor hun ogen gaan fonkelen
als sterrenlichtjes.
Goed, zei Sinterklaas, ik zal de sterren vragen om mee te gaan.
En Sinterklaas ging naar de sterren.
Goede nacht, sterren.
Goede nacht, Sinterklaas.
En alle stemmetjes van de sterren klonken door elkaar. Het klonk als
duizenden kleine klokkenspelletjes. Het tinkelde en twinkelde.
Beste sterren, zei Sinterklaas, kunnen jullie mij helpen om de kinderen blij
en dankbaar te maken ?
Wel Sinterklaas, klonken de duizenden stemmetjes van de sterren, wij zullen
hen de zoetste dromen sturen. Dan gaan hun ogen fonkelen als sterrenlichtjes.
Dat is goed, zei Sinterklaas. Wel sterren, willen jullie dan met mij meegaan
naar de kinderen en hun de zoetste dromen geven ?
Wij gaan mee , wij gaan mee, riepen alle sterrenstemmetjes door elkaar.
Dank u wel zon, dank u wel maan, dank u wel sterren, zei Sinterklaas. Nu kan
ik aan mijn lange reis beginnen. Maar ik moet zoveel dragen, dat kan ik niet
alleen. Ik zal daarom mijn knecht vragen om mij te helpen.
En toen ging de zon onder en de maan kwam op en duizenden sterren straalden
hoog aan de hemel. En Sinterklaas zei tegen Zwarte Piet :
Piet, kom eens hier !
Ja Sinterklaas, ik kom al, zei Zwarte Piet.
Piet, kom eens heel snel hier !
En Zwarte Piet zei :
Jaja, Sinterklaas, ik kom zo snel ik kan.
Piet, blijf nu eens even stil staan en doe geen gekke kuren. Luister goed,
Piet. Ik ga mijn lange reis beginnen naar alle kinderen. En jij moet met me mee
om al de geschenken te dragen en aan de kinderen te geven.
Jaja, Sinterklaas, dat doe ik graag. Ik zal werken tot ik ervan zweet. Dak
op, dak af. De hele nacht door zal ik werken, Sinterklaas.
Goed Piet. Maak u dan klaar.
Dat zal een zware tocht worden. Gaan we lang of gaan we kort, ik weet zeker
dat het late avond wordt voor we alle kinderen hebben bezocht. Daarom moet ik
best nu eerst maar wat eten.
Zwarte Piet ging zitten en begon rustig te eten. Hij at een marsepeinen
varkentje, een huisje van peperkoek, een mikmannetje met ogen van rozijnen, een
ventje van speculaas, twee mandarijntjes en wel tien pepernootjes.
Toen ging Zwarte Piet voor de spiegel staan en trok een heel ernstig gezicht.
Nu ben ik precies Sinterklaas. Ben ik geen flinke baas ?
Maar toen riep Sinterklaas :
Piet, waar ben je ?
Hier Sinterklaas
en met een buiteling en een sprongetje stond hij bij Sinterklaas.
Zo Piet, ik zie dat je al klaar staat. Maar is die zak wel groot genoeg om
alle schatten te bevatten die ik naar de kinderen wil brengen?
Zeker, zeker Sinterklaas. ‘t Is het formaat dat u vroeg. Die zak is ruim en
groot genoeg.
Komaan Piet, we gaan op weg. De kinderen zullen al op ons wachten. En we
moeten nog een verre weg gaan.
En Sinterklaas en Zwarte Piet gingen op weg. De zon wuifde hen uit, de maan
ging met hen mee en alle sterren fonkelden aan de hemel.
Zwarte Piet klom op alle daken en overal waar een kind woonde strooide hij
zijn geschenken in de schoorsteen. En elke keer gaf de zon een heel klein
zonnestraaltje mee, en de maan gaf een klein beetje licht en de sterren gaven om
beurt een klein twinkelingetje mee.
De kinderen sliepen en droomden van Sinterklaas en Zwarte Piet.
En toen ze ‘s morgens wakker werden waren hun gezichtjes als stralende
zonnetjes, ze zongen hun mooiste liedjes en in hun ogen blonken schitterende
sterretjes.
SINTERKLAAS (verhaal zoals de Sint het zelf vertelt tijdens het feest)
Luc Cielen
Lieve kinderen,
Een tijd geleden dacht ik:
Zou ik dit jaar weer naar Rinkrank gaan ?
En weet je wat Zwarte Piet zei ?
Ja natuurlijk, Sinterklaas. Natuurlijk moeten wij naar Rinkrank gaan,
want die kinderen zingen daar zo’n mooie liederen over U Sinterklaas en ook
over mij ! En die maken daar zo’n mooie tekeningen.
Dat is goed, Zwarte Piet, maar dan moet je wel goed aan het werk gaan en
alles klaar maken.
En Zwarte Piet ging heel hard aan het werk.
Hij tekende en schilderde,
hij timmerde en schaafde,
hij plooide en plakte,
hij rende en zweette,
hij kneedde marsepein en bakte ijverig heerlijke speculaas.
Hij stookte de oven zo heet, dat de hele hemel er rood van zag.
Toen maakte ik me klaar om met al de geschenken die Zwarte Piet had gemaakt,
naar de kinderen te gaan.
Maar ik dacht bij mezelf :
Hoe kan ik nu zien dat de kinderen blij en dankbaar zijn met de
geschenken die zij van mij gaan krijgen ?
Toen zag ik de zon hoog aan de hemel staan en dacht :
Ik zal het eens aan de zon vragen. Die komt overal en die ziet alles. Zij
zal dat wel weten.
Goede morgen, zon.
Goede morgen Sinterklaas.
Beste zon, hoe kunnen de kinderen laten zien dat ze blij en dankbaar zijn
met de geschenken die ik hen geef ?
Wel Sinterklaas, zei de zon, ik zal ze wat van mijn stralen geven, dan
gaan ze zelf zo mooi stralen als ik, als ze uw geschenken krijgen.
Beste zon, kom dan met mij mee en geef wat van je stralen aan elk kind,
zodat ze kunnen gaan stralen als zonnetjes.
Ja maar Sinterklaas, zei de zon, ik wil wel meegaan, maar dan moet de
maan ook meegaan.
En waarom moet de maan meegaan, beste zon ?
Omdat zij de kinderen ook altijd kan zien. Als de kinderen slapen, dan
schijnt het maanlicht héél zacht tot diep in de hartjes van de kinderen. En
daarvan worden de kinderen zó stil en zó lief dat ze de mooiste liederen voor
u gaan zingen.
Goed, ik zal de maan vragen om mee te gaan.
Goeden avond maan.
Goeden avond Sinterklaas.
Beste maan, kan jij me helpen om de kinderen blij en dankbaar te maken
als ze geschenken van mij krijgen ?
Wel Sinterklaas, zei de maan, ik zal mijn zachtste maanlicht tot diep in
hun hartjes laten schijnen. Dan worden ze zo stil en lief en dan zullen ze
de mooiste liederen voor u zingen.
Dat is goed, zei Sinterklaas. Wel maan, wil je dan met mij meegaan naar
de kinderen en in hun hartjes stralen ?
Zeker, Sinterklaas, maar dan moeten de sterren ook meegaan.
En waarom moeten de sterren meegaan, beste maan ?
Omdat zij de kinderen zoete dromen sturen, waardoor hun ogen gaan
fonkelen als sterrenlichtjes.
Goed, ik zal de sterren vragen om mee te gaan.
Goede nacht, sterren.
Goede nacht, Sinterklaas.
Alle stemmetjes van de sterren klonken door elkaar. Het klonk als duizenden
kleine klokkenspelletjes. Het tinkelde en twinkelde.
Beste sterren, kunnen jullie mij helpen om de kinderen blij en dankbaar
te maken ?
Wel Sinterklaas, klonken de duizenden stemmetjes van de sterren, wij
zullen hen de zoetste dromen sturen. Dan gaan hun ogen fonkelen als
sterrenlichtjes.
Dat is goed, zei Sinterklaas. Wel sterren, willen jullie dan met mij
meegaan naar de kinderen en hun de zoetste dromen geven ?
Wij gaan mee, wij gaan mee, riepen alle sterrenstemmetjes door elkaar.
Dank u wel zon, dank u wel maan, dank u wel sterren, zei Sinterklaas. Nu
kan ik aan mijn lange reis beginnen. Maar ik moet zoveel dragen, dat kan ik
niet alleen. Ik zal daarom mijn knecht vragen om mij te helpen.
Piet, kom eens hier !
Ja Sinterklaas, ik kom al, zei Zwarte Piet.
Piet, kom eens héél snel hier !
En Zwarte Piet zei :
Jaja, Sinterklaas, ik kom zo snel ik kan.
Piet, blijf nu eens even stil staan en doe geen gekke kuren. Luister
goed, Piet. Ik ga mijn lange reis beginnen naar alle kinderen. En jij moet
met me mee om al de geschenken te dragen en aan de kinderen te geven.
Jaja, Sinterklaas, dat doe ik graag. Ik zal werken tot ik ervan zweet.
Dak op, dak af. De hele nacht door zal ik werken, Sinterklaas.
Goed Piet. Maak u dan klaar.
Dat zal een zware tocht worden. Gaan we lang of gaan we kort, ik weet
zeker dat het late avond wordt voor we alle kinderen hebben bezocht. Daarom
moet ik best nu eerst maar wat eten.
Toen ging Zwarte Piet zitten en begon rustig te eten.
Hij at een marsepeinen varkentje,
een huisje van peperkoek,
een mikmannetje met ogen van rozijnen,
een ventje van speculaas,
twee mandarijntjes
en wel tien pepernootjes.
Toen ging Zwarte Piet voor de spiegel staan en trok een heel ernstig gezicht.
Nu ben ik precies Sinterklaas. Ben ik geen flinke baas ?
Piet, waar ben je ?
Hier Sinterklaas !
en met een buiteling en een sprongetje stond hij bij Sinterklaas.
Zo Piet, ik zie dat je al klaar staat. Maar is die zak wel groot genoeg
om alle schatten te bevatten die ik naar de kinderen wil brengen?
Zeker, zeker Sinterklaas. ‘t Is het formaat dat u vroeg. Die zak is ruim
en groot genoeg.
Komaan Piet, we gaan op weg. De kinderen zullen al op ons wachten. En we
moeten nog een verre weg gaan.
En Zwarte Piet ging met mij op weg. De zon wuifde ons uit, de maan ging met
ons mee en alle sterren fonkelden aan de hemel.
Zwarte Piet klom op alle daken en overal waar een kind woonde, strooide hij
zijn geschenken in de schoorsteen. En elke keer gaf de zon een heel klein
zonnestraaltje mee, en de maan gaf een klein beetje licht en de sterren gaven om
beurt een klein twinkelingetje mee.
De kinderen sliepen en droomden van mij en Zwarte Piet.
En toen ze ‘s morgens wakker werden waren hun gezichtjes als stralende
zonnetjes, ze zongen hun mooiste liedjes en in hun ogen blonken schitterende
sterretjes.
HET VERHAAL VAN SINTERKLAAS
Zoals het verteld wordt in de Steinerscholen
Sinterklaas wandelde hoog in de hemel. Hij was op weg naar de aarde om de
kinderen met geschenken te verblijden. Hij kwam bij Maria en vroeg:
- Maria, wat doe jij daar?
- Ik breng de sterrengaven bij elkaar, zei Maria.
- Vertel mij dan, Maria, wat hebben de sterren geschonken, wat voor gaven
hebben ze u gegeven?
- O, Sinterklaas, zei Maria. Ik ging langs alle sterren. Ze glansden zo
stralend en zo mooi. Ze waren zo rein en zuiver. Ik vroeg aan elke ster om
mij iets te geven. Alle sterren gaven mij een beetje van het schoonste dat
ze bezaten. En daarmee, Sinterklaas, heb ik een draad geweven, zo schoon, zo
rein als het zuiverste goud.
- Maria, wat heb je met die draad gedaan?
- Lieve Sinterklaas, zei Maria. Ik weef ermee.
Ik weef ermee een gouden kleed. Het kleed voor het Jezuskind. Als het op
Kerstnacht op aarde geboren wordt wil ik het kindje in dit kleed ontvangen.
Maar Sinterklaas, al werk ik nog zo hard, het kleed zal niet klaar zijn,
want er ontbreekt nog iets.
- Maar Maria, je hebt met zoveel zorg dat kleed geweven. En nog ontbreekt
er iets aan. Hoe kan dat toch?
- Dat wat de kinderen op aarde geven, moet nog in het kleed geweven
worden. Al wat de kinderen op aarde doen, hun vreugde, hun liefde en al wat
ze zo goed en mooi doen. Want dat is zo stralend als sterrenlicht,
Sinterklaas. Dat wil ik van hen ontvangen om in het kleed voor het Jezuskind
te weven.
- Maria, ik zal u helpen.
Ik ben op weg naar de aarde, want op zes december wordt daar mijn
verjaardag gevierd. Dan neem ik voor alle kinderen op aarde geschenken mee.
Dan zijn die kinderen dankbaar en vrolijk en blij. Wel, Maria, ik zal hun
dankbaarheid, hun vreugde en hun blijdschap mee terugbrengen naar de hemel
en ze aan u geven om in het stralenkleed voor het Jezuskindje te weven.
- Dat is heel lief van je, Sinterklaas.
Maar kan jij al die gaven, van al die kinderen wel alleen naar de hemel
brengen?
Zal ik niet iemand met je meesturen om je te helpen?
- Maria, Maria, riepen de sterrenkinderen, wij willen wel meegaan om al
die gaven naar de hemel te dragen. Mogen wij meegaan?
- Ja, zei Maria, maar hoe zullen jullie naar de aarde gaan? Sinterklaas,
mogen de sterrenkinderen met u meegaan?
- Dat zou ik wel heel graag willen doen, zegt Sinterklaas. Maar mijn
mantel is niet groot genoeg om al die sterrenkinderen te dragen.
- Oooh, wat jammer, zuchtten al de sterrenkinderen. We willen wel zelf
naar de aarde gaan, Maria, als jij ons de weg toont.
- Maar kinderen, zei Maria, vraag het toch aan de maan. Die zal jullie de
weg naar de aarde wijzen.
- Ik zal het aan de maan vragen, zei Sinterklaas.
En Sinterklaas ging naar de maan.
- Goedenavond maan, zei Sinterklaas.
- Goedenavond Sint, zei de maan en maakte een diepe buiging.
- Beste maan, zei Sinterklaas, wees eens goedgezind en zeg aan de
sterrenkinderen hoe zij naar de aarde moeten reizen.
- Dat wil ik wel doen, zei de maan, maar dan moet de zon ook meegaan.
- Ik zal naar de zon gaan en het haar vragen, zei Sinterklaas.
En Sinterklaas ging naar de zon.
- Goede morgen zon
- Goede morgen, Sinterklaas.
- Beste zon, Wees eens goedgezind voor de sterrenkinderen. Wil hen de weg
wijzen naar de aarde. De maan zal je helpen.
- Maar beste Sinterklaas, wat gaan de sterrenkinderen op de aarde doen?
vroeg de zon.
- Ze gaan de dankbaarheid, de vreugde en de liefde van de kinderen op
aarde verzamelen. En dan brengen ze die naar Maria in de hemel, die er het
kleed mee weeft voor het Kerstekindje.
- Als dat zo is, wil ik tesamen met de maan de weg wel wijzen. zei de
zon. Maar dan moeten alle sterrenkinderen hun sterrenkroon afleggen en in de
hemel achterlaten.
- Dank u wel, zon, dat jij dat wil doen. Nu kan ik naar de aarde gaan en
mijn geschenken geven aan de kinderen. Maar ik moet zoveel dragen, dat kan
ik niet alleen. Ik zal daarom naar mijn knecht gaan en hem vragen of hij mij
wil helpen bij deze taak.
- Piet !
- Ja, Sinterklaas !
- Piet, kom hier.
- Jaja, Sinterklaas, ik hoor u wel Ik kom heel snel !
- Piet, jij moet mij een dienst bewijzen. Maar doe niet dwaas, begin geen
gekke dingen te verzinnen, want ik wil straks mijn aardereis beginnen, en
jij moet mee met mij, om al de gaven aan de kinderen te brengen.
- O Sinterklaas, ik zal alles doen wat u vraagt. Ik zal werken tot ik
zweet, dat kan ik goed, zoals u weet.
- Maak u klaar, Piet. Ik ga nu overleggen hoe ik zal gaan.
Toen zuchtte Zwarte Piet:
- Dat zal een lange tocht gaan worden. Al gaan we lang, al gaan we kort,
ik weet toch zeker dat het laat op de avond wordt, voor we alles hebben
afgewerkt. Daarom nu eerst wat eten, de maag eerst met een hap gesterkt !
En ik heb mijn zak al meegebracht, om daarin te vervoeren héél die
vracht. Straks moet ik weer lopen sleuren, jaja, daar zal weer wat gebeuren
!
Toen ging Zwarte Piet voor de spiegel staan en trok een heel ernstig gezicht.
- Zie, nu ben ik net als Sinterklaas. Ben ik geen flinke baas?
Maar toen kwam Sinterklaas net aan.
- Zo Piet, Ik zie dat je al klaar staat. Is die zak wel groot genoeg om
alle schatten te bevatten die ik naar de aarde wil dragen?
- Zeker, zeker, Sinterklaas. 't Is het formaat dat U vroeg. Die zak is
ruim en groot genoeg.
- Komaan, Piet, we gaan op weg. De kinderen zullen al op ons wachten. En
we hebben nog een verre weg te gaan.
Zo gingen Sinterklaas en Zwarte Piet op weg naar de aarde met een zak vol
geschenken. En al de sterrenkindertjes kwamen met hen mee, terwijl hun
stralenkroontjes aan de hemel bleven staan.
PLANNING VAN HET SINTERKLAASFEEST in
RINKRANK
De voormiddag start en verloopt zoals gewoonlijk. Dat wil wel zeggen dat we
‘s morgens vuur maken en zingen op de speelplaats zoals je elders in dit krantje
kan lezen. ‘s Middags stoppen we een beetje vroeger en eten op tijd (als de
zenuwen onze eetlust niet al te zeer bederven tenminste).
12.20u: De klassen van de bovenbouw vertrekken naar de het Volkshuis. Zij
zullen de anderen daar opwachten en alvast muziek spelen.
12.40u: Alle andere kinderen, leraren en ouders maken op de grote speelplaats
‘de stoet’. Muziek voorop! Gevolgd door de allerkleinsten met eventueel ouders,
de kleuters en hun jufkes. Dan weer muziek en de kinderen en leraren van de
onderbouw. Van jong naar oud. Katia en juf Marjan VG zullen de stoet als
gemachtigd opzichter begeleiden. Ouders die mee willen stappen kunnen achteraan
aansluiten.
12.45u: Vertrek van de stoet. Door Het Pastoor Hensstraatje, langs de
Heikantstraat de Foxemaatstraat in en zo naar het Volkshuis.
Ouders wachten aan de overkant van de Kapellensteenweg over het Volkshuis
zodat ze het binnengaan van de kinderen niet hinderen.
13.00u: Aankomst in de zaal. Toon Rubbens en Toon Hüwels
zijn de ceremoniemeesters. Zij loodsen eerst de kinderen en daarna de ouders de
zaal in en wijzen iedereen de juiste plaatsen aan.
13.15u: Start van het eigenlijke feest. Er wordt gezongen, ontvangen,
verteld, gegroet, geconcerteerd, nog gezongen en afscheid genomen.
14.00u: Verlaten van de zaal. Eerst de ouders, zij steken weer de
Kapellensteenweg over en wachten daar zodat de kinderen niet gehinderd worden.
Natuurlijk mogen ouders er mee voor zorgen dat er geen kinderen onverwacht de
straat op rennen.
Na de ouders volgen de jongens en meisjes van 4,5 en 6, zij vertrekken
vlugger naar school en wachten aan de poort de anderen musicerend op.
Als laatste wordt de stoet van de overige kinderen opnieuw gevormd en stapt
langs dezelfde weg terug naar school.
14.30u: Aan de school verzamelen we op de parking voor de poort. Daar wacht
Toon H iedereen op. Per klas mogen de kinderen en hun leraren naar binnen om in
de klassen te gaan kijken. Weer de jongsten eerst en oudsten laatst. Ouders van
kleuters mogen in de gangen wachten op een teken van de klasleerkracht om ook te
gaan kijken in de klassen. Ouders van kinderen van de lagere school wachten op
de speelplaats op een teken.
15.00u: Iedereen mag doorheen heel de school gaan kijken wat de Sint allemaal
bracht. Ouders van kleuters nemen best hun kleuter en alle spullen mee zodat ze
niet opnieuw naar de klas moeten.
15.30u: De klasleerkrachten sluiten de klassen af. Het is tijd om naar huis
te gaan. Rust en vrede mogen weer over de school neerdalen.
Sinterklaasliedje
Luc Cielen
Sinterklaas zijn hobbelpaard
heeft een lange witte staart.
Sinterklaas die rijdt vooraan,
Zwarte Piet zit achteraan.
En ze rijden in galop
overal de daken op,
strooien lekkers in de schouw,
Sinterklaas, ik hou van jou.
|