DERDE KLAS

METEND REKENEN

 

Onderstaande tekst was de basis voor een periode metend rekenen in een derde klas, november 2012.

 

In het leerplan van de steinerscholen staat er voor de derde klas alleen dit:
     Tijd: het halfuur en het kwartier op de analoge klok.

 

Naar mijn mening is dit absoluut onvoldoende voor een derde klas.
Halfuur en kwartier zijn al ruim aan bod gekomen in de tweede klas en moeten voldoende gekend zijn. Indien niet: regelmatig herhalen.

 

Kinderen in een derde klas zijn al vertrouwd met veel meer zaken uit het metend rekenen en vragen erom om al doende te meten, te wegen, inhouden te benoemen, werken met geld enz.
We mogen daarmee niet wachten tot in een vierde of vijfde klas. In het leerplan van de steinerscholen komen in de vierde klas alleen de lengtematen aan bod en pas in de vijfde klas komen gewichten en inhouden ter sprake.

 

 

1. KLOK
Analoog en digitaal.
Uur (vergelijken analoog en digitaal). Met omzetten van digitaal naar analoog en vice versa..
Halfuur. Met omzetten van digitaal naar analoog en vice versa.
Kwart voor, kwart over (kwart na voor kinderen die problemen hebben met over). Met omzetten van digitaal naar analoog en vice versa.
Tien voor, tien over het uur en tien voor en tien over het halfuur. Met omzetten van digitaal naar analoog en vice versa.
Vijf voor, vijf over het uur en het halfuur. Met omzetten van digitaal naar analoog en vice versa.

Opmerking: als de kinderen weinig in contact komen met digitale klokken is het niet nodig om in de derde klas veel aandacht daaraan te besteden. Het omzetten van analoog naar digitaal en vice versa kan dan in de vierde klas aan bod komen.

 

 

2. GELD
Vooral praktisch werken met geld: euro, cent.
Bij het werken met geld is het geschikte moment aangebroken om het gebruik van de komma te introduceren. Niet vanuit een schema, maar vanuit de praktijk. De kinderen zijn al min of meer vertrouwd met de komma omdat in winkels euros en centen zo aangeduid worden. Dus moeten we daarvan vertrekken en in de klas handel drijven (verkopen en kopen) en met geld werken.


Wat kan aan bod komen:
Euro: laten weergeven op 10 euro, 20 euro, 50 euro, 100 euro. Geen centen.

Voorbeeld: iets kost 7 euro, je betaalt met een briefje van 20 euro. Dit kan via hoofdrekenen (dus op voorhand weten hoeveel je moet teruggeven/krijgen) maar ook via de praktijk van het weergeven (maar dit is op deze leeftijd veel moeilijker te vatten. Kan alleen voor de kinderen die dit aankunnen). Dit houdt in: vertrekken van 7 euro en dan verder tellen: 8, 9, 10 en dan een briefje van 10 euro geven.

 

Centen: bedragen met euros en centen laten betalen. Voorbeeld: 4,20.
Eerst met veelvouden van 10 cent werken (om de stukken van 0.50 en 0.20 en 0.10 euro te gebruiken)
Dan ook met stukken van 0.05 euro.
Ten slotte ook met stukken van 0.01 en 0.02 euro.


Voor de goede rekenaars ook weergeven in centen op euros. Bijvoorbeeld iets kost 0.75. Je betaalt met een stuk van 1 euro.
Werkwijze: altijd eerst doen, dan noteren.
Correcte notatie: vr het getal of euro (zonder hoofdletter) achter het getal.
De notatie zoals in de winkels of op de markt kan ook: 1225 of 1225

 

 

3. LENGTEMATEN
Alle kinderen zijn vertrouwd met latten en de verdeling in cm. We vertrekken dus van cm.


Eerst diverse lijnen laten tekenen met cm. Dit mag kriskras door elkaar. De maat bij elke lijn schrijven.
Dan lijnen meten met cm (lijnen nemen die exact kunnen gemeten worden met cm, dus geen mm).
Dan de decimeter laten gebruiken. Kan moeilijk op papier of in schrift, dus de vloer enz. gebruiken of lange stroken papier/karton.


Lijnen tekenen met dm
Lijnen meten met dm
Lijnen tekenen met dm en cm. Voorbeeld teken lijn van 1 dm en 5 cm (op twee manieren geschreven: eerst 1dm en 5 cm, en dan 1,5 dm).
Lijnen meten met dm en cm.


Lijnen meten met m, dm en cm. (papieren meetlinten van Ikea zijn zeer geschikt om mee te werken, maar voorzie ook vouwmeter, rolmeter, lintmeter, lat, ). Je kunt zelfs een lasermeter meebrengen als je die heb, maar het nadeel daarvan is dat je geen onderverdelingen op kunt aflezen, hij geeft alleen het resultaat, maar om te controleren is hij wel geschikt).

Als je het gerief hebt, ook zeer praktisch laten werken:
Voorbeeld: zaag een stukje hout af op 12 cm. Of: knip een strook papier van 2,3 dm. Laat op het hout of het strookje papier de maat schrijven.

Zodra de kinderen er goed vertrouwd mee zijn ook allerlei zaken laten meten in de klas of op school: tafels (lengte, breedte, hoogte), bord, muur, vloer, tegel. Laat ze elkaar meten en maak een schema: van groot naar klein (of andersom). Enz.


Millimeter mag aan bod komen voor wie dat graag zo nauwkeurig wil en kan doen. Maar dan alleen bij het tekenen van lijnstukken.

Schrijfwijze: zonder punt na de afkorting. m, dm, cm

4. INHOUDSMATEN
De liter is het meest bekend bij de kinderen. Dus beginnen met de liter.


Voor maatbekers zorgen en flessen laten vullen, maar ook grotere vazen, emmers enz. En laten noteren bij een tekening van het voorwerp dat gemeten is hoeveel liter er in kan. Afronden op liter, dus nog geen dl, cl enz. Dus ook geen komma.


Dan halve liter met notatie: 0.5 l (geen punt na de afkortingen).
Hoeveel halve liter in een liter? In een emmer van 10 liter?

 

Kleine flesjes meebrengen en zien hoeveel cl erin kan. Dit kun je bijvoorbeeld zo doen (als het niet op het flesje aangegeven is): je laat een flesje vullen en giet het over in de maatbeker. Is het flesje zo klein dat het water niet bij een maatstreep komt, dan vul je het flesje nog eens en nog eens (bijvoorbeeld 10 keer) en lees dan af op de maatstrepen. Delen door 10 geeft dan de juiste inhoud. Of je vult een liter met de kleine flesjes en laat noteren hoeveel flesjes er in een liter kunnen.

 

Milliliter kan ook aan bod komen als je dat wil. Daarvoor gebruik je kleine spuitjes (uit apotheek). De meeste kinderen hebben al wel eens een spuitje gehad. Nu kunnen ze zien en ontdekken hoeveel er in zon spuitje zit. Je hebt verschillende maten. Je kunt hen een litermaat laten vullen met zon spuitje en noteren hoe dikwijls ze het spuitje hebben moeten vullen (en leegspuiten).

 

Met water werken is voor de kinderen zr boeiend. Maar de klas kan er als nel als een puinhoop bijliggen. Dus vragen om zorgvuldig te werken, en als er gemorst wordt onmiddellijk laten opnemen/dweilen. Het is aan te raden om de kinderen bij dit onderdeel per twee te laten werken en afwisselend doen en noteren.

 

 

5. GEWICHTEN
De kilo is het meest gekend, dus daarvan vertrekken.


Verschillende soorten weegschalen gebruiken (laten meebrengen) en laat allerlei zaken wegen.

Laat de kinderen op zoek gaan (thuis/winkel/supermarkt) wat er allemaal per kilo verpakt is (zout, suiker, .)

 

Halve kilo (500 gram) mag aan bod komen. Daarna 100 gram (ons). Daarmee kunnen de kinderen dan weer allerlei afwegen en aflezen tot op de gram (voor zover dat met de weegschalen mogelijk is), maar tot op 10 of 50 of 100 gram nauwkeurig is meer dan voldoende.

 

Begrippen als tarra, bruto en netto moeten nog niet aan bod komen (= 5e klas). Maar bij het wegen moeten de kinderen wel ontdekken dat de verpakking meegewogen wordt en dat ze het gewicht daarvan moeten aftrekken van het resultaat. Bij papieren verpakkingen is dat niet zo belangrijk, bij andere wel.

Elektronische weegschalen kun je zo instellen dat de verpakking niet meegewogen wordt, zodat je direct het nettogewicht kunt aflezen.

 

 

6. TEMPERATUUR
Graden en (Celsius)
Thermometer.
Met de thermometer een aantal zaken meten:


Lichaamstemperatuur (de meeste kinderen hebben ervaring met koorts en koortsthermometer)
Temperatuur van water dat kookt
Temperatuur van water met ijs erin
Temperatuur in de klas: bij begin van de dag, op het einde van de les.
Temperatuur buiten
Temperatuur in de koelkast
Temperatuur in de diepvriezer
Temperatuur van badwater (thuis meten) of van de douche.
Temperatuur van thee (in een kopje), van soep enz.
Op regelmatige tijdstippen de temperatuur meten in de klas en buiten. Dit noteren. Van buitentemperatuur een grafiek maken.

 

 

Als niet alles in n periode aan bod kan komen is dat niet erg. In een volgende rekenperiode kun je verder werken.

Stel de eisen qua nauwkeurigheid niet t hoog. Een zekere soepelheid is nodig. Dus niet sakkeren op een mm of een cl. Het gaat er in de derde klas vooral om om te leren werken met lengtematen, inhoudsmaten en gewichten, niet om al zr exact te zijn (wie dat kan, doet dat natuurlijk wel). Bij de klok en de euro moet je vanzelfsprekend wl exact zijn.

 

Waar gaat het om? DOEN en NOTEREN.

 

In vierde en vijfde leerjaar zal het metend rekenen weer aan bod komen en zal de graad van nauwkeurigheid steeds hoger worden.