BRIGITTE, 1februari

Luc Cielen in Rinkkrant 819 van 28 januari 2005


Brigitte van Kildare of Bride van de Eilanden of Bride van Ierland zijn twee andere benamingen voor deze heilige, over wie - eens te meer - haast niets geweten is.

 

Ze schijnt omstreeks het jaar 450 in de omgeving van Kildare, meer bepaald in Faughart, in Ierland geboren te zijn als beeldschone dochter van een Iers stamhoofd uit Leinster. Daar zou ze door de heilige Patrick gedoopt zijn. Ze zou op jonge leeftijd uitgehuwelijkt worden, maar als goede christen wou ze maagd blijven. Maar ze had de pech om zo mooi te zijn, dus was er weinig kans dat die wens in vervulling zou gaan. Daarom bad ze onophoudelijk om lelijk te worden, wat lukte. Geen enkele jongeman koesterde dan nog de wens om haar bruidegom te worden en zo bewaarde ze haar kuisheid. Op 14-jarige leeftijd zou ze zich een ‘cel’ gebouwd hebben onder een eik. Vandaar de benaming Kildare: kil komt van celle = cel of kerk en dare staat dan voor eik. Korte tijd later zou ze zowel een nonnenklooster als een mannenklooster hebben gesticht, en dat waren meteen de eerste kloosters van Ierland. Een toren van een van deze kloosters is tot op vandaag bewaard gebleven.

 

Op 1 februari 523 is ze gestorven in Kildare. Haar relieken verspreidden zich over heel Europa. In Dublin bewaart men nu nog een stuk van een van haar schoenen, gemaakt uit zilver, messing en juwelen. In 1185 werden haar stoffelijke resten teruggevonden, samen met deze van Sint Patrick en Sint Columba in Down-Patrick. Ze werden alle drie bijgezet in de kathedraal van de stad. Maar in de dagen van Hendrik VIII (16e eeuw) werd deze verwoest.

Ze zou ook heel wat wonderen hebben verricht. De meest bekende daarvan zijn:

-        haar koeien gaven elke dag driemaal meer melk dan andere koeien.

-        ze deelde royaal boter uit aan de armen, maar een engel zorgde ervoor dat haar voorraad weer werd aangevuld.

-        haar schuur vulde zich op wonderbare wijze met graan.

-        elke boom die ze aanraakte begon ogenblikkelijk te bloeien.

-        ze genas een afgehakte hand.

In Ierland is ze na Patrick de meest vereerde heilige. Ze wordt er haast op een even hoge voet vereerd als Maria, wat ook mag blijken uit haar bijnaam: Mary of the Gael (Maria van de Kelten) Dit is de naam waarnaar de legende op de volgende bladzijde verwijst.

Haar naam betekent: de verhevene

Variaties op haar naam zijn: Brigitte - Birgitta (niet te verwarren met de Zweedse Birgit) - Brigida (Nl) - Bridget, Brigida en Birgit (D) - Bridget, Bridgit, Bride, Brigid, Afraad, Ffraid (Eng) - Brigide, Brigitte (Fr) - Brighid (Iers) - Brigida (It) - Brygida (Pools) - Brígida (Port) - Brigita (Sp).


Magisch-realisme in een Ierse legende.

Een kleine boot legde aan op de kust van Iona, een van de Hebriden-eilanden tussen Ierland en Schotland. Een man stapte uit de boot, gevolgd door een klein meisje, dat van zodra het aan land kwam neerknielde en begon te zingen. De man heette Dughall Donn, het meisje heette Bride (Brigitte).

Drie in witte gewaden gehulde mannen naderden de nieuwkomers. De oudste van hen zei: “Wij zijn druïden. We hebben u zien komen van over de zee uit Ierland. We weten dat u een koningszoon bent en dat u niet naar uw land kan terugkeren. Wij bieden u gastvrijheid aan. Kies voor uzelf een stuk land, zoek u een vrouw en vestig u op het eiland. Laat uw dochter - want zij is niet zomaar een gewoon kind - vrij wandelen over het eiland. Water en wind, zee en lucht zullen haar leermeesters zijn. Vraag nooit naar haar geheim, want dat zal, als de tijd gekomen is, door haar zelf geopenbaard worden. Wees gerust, nooit zal iemand, buiten ons, weten dat u een koningszoon bent. Hier bent u veilig. Voortaan zal uw naam Duval zijn”

Zo leefden Duval en zijn dochter Bride op het eiland Iona. Vele jaren gingen voorbij.

 

Op een dag, het was de langste dag van het jaar, liep Bride ‘s morgens vóór dag en dauw de hut uit en beklom de heuvel van waar ze over land en zee kon kijken. Ze wilde de zon zien opkomen. De nevels slierden nog over het land. Toen zag ze de hemel verkleuren en een roodgouden zon verrees uit het water. Alles, zee, land en rotsen kreeg een gouden glans. Toen stond Bride op en liep naar een plek, halverwege de heuvel, waar temidden van enkele lijsterbesbomen een bron was. Toen ze voorover boog om te drinken, zag ze haar eigen gezicht weerspiegeld en daarachter zag ze opeens een hemels gelaat dat zacht en liefdevol op haar neerkeek. Ze keek op, maar er was niemand. Ze keek weer in de bron om nog eens het gelaat te kunnen zien, maar het was verdwenen. In de plaats daarvan zag ze hoe de kruinen van de lijsterbessen zich bogen en een poort vormden. Het spiegelbeeld van een witte merel zag ze in het water. De merel vloog door de poort en toen ze opkeek zag ze nog net hoe hij in een ver landschap verdween.

 

Ze liep de merel achterna, en voelde al lopend hoe de groene weide plaats maakte voor knerpend zand. Het geluid van de meeuwen verstomde en ging over in dat van honderden krekels. De zon ging onder, de avond kleurde rood. Avondkoelte waaide haar tegen. Bride liep verder. Daar was een man. Hij kwam naar haar toe en vroeg: “Waar heb je de kruik gelaten?”

Bride keek hem vragend aan. Het was haar vader. Hij had haar uitgestuurd om water te zoeken, nu droogte het land al wekenlang in zijn greep had.

“Kom mee, naar huis,” zei Duval.

 

Toen ze thuis waren, traden ze de kamer binnen. Het was een herberg, maar er waren geen gasten. Er was immers ook niets meer te drinken in de herberg. De droogte hield alles in zijn greep.

“Morgen ga ik naar de Olijfberg, zei de vader, daar is nog een bron die water bevat. Ik neem de kamelen en de ezels mee zodat ik voldoende water in kruiken en zakken kan meebrengen om weer enkele weken voort te kunnen. Jij blijft alleen thuis. Kijk, op deze plank staat nog één kleine kruik met water en er is nog één gerstekoek. Dat is alles wat ons rest. Het is voor jou. Geef niets daarvan aan anderen, ontvang geen gasten in de herberg, want daarmee moet je het stellen tot ik terug ben. Over drie dagen hoop ik terug te zijn.”

Toen verliet Duval het stadje Bethlehem waar hij woonde en herberg hield.

Drie dagen lang bleef Bride alleen. Vele uren zat ze voor het raam naar buiten te turen. Toen zag ze gasten komen in de richting van de herberg. Het was een oude man die er erg vermoeid uitzag en op een knoestige stok steunde. Bij hem was een jonge vrouw, gezeten op een ezel. Die vrouw was hoogzwanger, dat kon Bride zien. De bevalling zou niet lang meer op zich laten wachten. Toen Bride naar het gezicht van de vrouw keek, meende ze dat gezicht al ooit te hebben gezien.

 

“Mogen wij in uw herberg overnachten, en kunnen wij wat eten en drinken?” vroeg de man, die Jozef heette. “Wij hebben een lange tocht gemaakt.”

Bride zag hoe de vrouw, die een mooi, zacht gelaat had, haar aankeek. Even wilde ze hen wegsturen, zoals haar vader haar had opgedragen. Maar toen zei de vrouw: “Ben je me vergeten, Bride?”

“Kom binnen,” zei Bride, “hier is een gerstekoek, wat ervan overblijft, en er is ook nog wat water in de kruik. Neem het. Een slaapplaats in de herberg mag ik u van mijn vader niet aanbieden, maar in de stal is er nog plaats. Gebruik die maar.”

 

Jozef en Maria, zijn vrouw, aten en dronken en gingen naar de stal.

Nauwelijks waren ze daar, en was Bride naar de herberg teruggekeerd, of Bride hoorde geluiden en geroep op straat. Vlug ging ze kijken. Daar zag ze haar vader met zijn kudde terugkomen. Alle kruiken en zakken waren barstensvol gevuld met water. De buren kwamen aangelopen en begonnen al te helpen met het afladen van de dieren. Die kregen te drinken en werden op stal gezet. Even later zaten Bride en haar vader in de herberg.

“Wat is dat geruis dat ik hoor?” vroeg hij.

“Dat zal de regen zijn,” zei Bride, “ik voel hoe een frisse koelte uit de heuvels komt.”

“Dat is toch merkwaardig, zei Brides vader, “ik ken een voorspelling die zegt dat na deze tijd van droogte het goddelijke kind zou geboren worden, de Messias. Wie zijn die mensen in de stal? Was die vrouw niet hoogzwanger?”

Snel liepen beiden naar de stal, openden de deur en zagen Maria, omgeven door een hemels licht. Ze droeg een pasgeboren kind op haar schoot.

“Kom Bride,” zei Maria, “wieg jij het kind vannacht, zolang ik slaap.”

Bride nam het kind in haar armen, omhulde het met haar warme mantel, en gaf het de borst.

 

Op datzelfde ogenblik stierf ver daar vandaan, op het kille, koude eiland Iona, de oudste van de druïden, hij die Bride welkom had geheten toen ze als jong meisje op Iona was aangekomen. Vlak voor hij stierf zei hij: “Ik zie Bride, zij draagt de schepper van hemel en aarde in haar armen.”

Toen de ochtendkilte de stal binnensloop, ontwaakte Maria. Ze nam het kind over van Bride en dankte haar: “Om wat je vannacht gedaan hebt, zal je ook Maria genoemd worden.”

 

Bride legde zich neer en viel in een diepe slaap. Toen ze eindelijk ontwaakte was het ochtend. De stal was leeg. Ze stond op en verliet de stal. In het zand zag ze de voetsporen van Jozef en van de ezel. Ze volgde ze. De sporen leidden haar naar de woestijn. Ze volgde ze tot boven op een heuvel. Daar keek ze om zich heen. Maar de sporen waren verdwenen. Het zand werd groen en een witte merel vloog laag voorbij en verdween tussen de kruinen van de lijsterbessen. Bride keek op. Boven zich zag ze hoe de lijsterbesbomen een poort vormden. Ze liep er door. De lucht van de zee drong tot haar door en een lichte mistvlaag omhulde haar. Aan haar voeten glansde het donkere water van de bron. Bride liep verder de heuvel af, het kleine beekje volgend. Daar waren de schapen en de lammetjes en in de deuropening van de hut stond haar vader. Hij was ouder geworden.

 

Een jaar was voorbij gegaan.