https://www.cielen.eu

 

DE KLINKER A

 

Fragment uit het sprookje DE KIKKERKONING (Grimm 1)

Tekst en illustraties komen uit het boek Bas Kunstler begint te lezen.

 

 

 

Deze tekening staat op voorhand op het bord:

 


 

Herhaling van een gedeelte van het sprookje DE KIKKERKONING (op voorwaarde dat het sprookje eerder verteld is, anders vertel je het nu, maar dat is minder aan te raden). Aan de hand van vragen herhaal je samen met de kinderen het gedeelte van het verhaal waaruit het letterbeeld A zal komen. Voor dit sprookje is dit het gedeelte waarin de prinses met haar gouden bal speelt die telkens boven de bomen uit in het zonlicht komt en schittert, waarop de prinses met de armen omhoog gespreid uitroept: ‘Waaaauw!’  

Dicht bij het koningspaleis lag een groot donker woud, waarin aan de voet van een oude linde een bron opborrelde. Toen het op een dag heel warm was, liep de prinses het bos in en vleide zich neer bij de koele bron en omdat ze zich een beetje verveelde, nam ze haar gouden bal, wierp die omhoog en ving hem weer op; dat was het liefste wat ze deed.   

In dit gebaar van de prinses zit het gebaar van de A, maar omgekeerd.

Dan valt de bal in het gras en de prinses roept: ‘Ai, gevallen!’ met de armen open naar beneden gericht.

 In Vlaanderen kun je ook de uitroep ‘Amaai!’ hieraan koppelen, bijvoorbeeld als de gouden bal tegen een tak botst. Ook de uitroep ‘Au!’ of ‘A!’ kun je erbij betrekken als de bal op het hoofd van de prinses valt. Je kunt ook de bal laten wegrollen in het bos, waarna de prinses op zoek gaat en als ze de bal vindt, zegt ze: ‘Aha, hier ben je!’ Ze streelt de bal en mompelt: ‘Aai, balletje, aai.’ 

Als de bal in de bron valt, zucht de prinses verdrietig: ‘Ach, nu is de bal weg!’ Dit is het gebaar waaruit hier het beeld van de letter (kapitaal) A komt, al maakt het niet uit of de prinses de armen omhoog of omlaag spreidt.

 

Steiner verbindt de klank A met verwondering en geeft als voorbeeld een mooie zonsopgang waar we dan met de uitroep ‘AH’ naar kijken. In het Nederlands gebruiken we de uitroep ‘AH’ doorgaans niet als uitroep van verwondering. Het is dus niet nodig om Steiner hierin te volgen. Je kunt beter zelf op zoek gaan hoe de klank A in het Nederlands gebruikt wordt, zoals je in het voorbeeld met de prinses hierboven kunt zien.

 

Heb je dit samen met de kinderen zo besproken (klasgesprekje van enkele minuten), dan maak je samen met de kinderen het gebaar van de A. Dit kun je doen op verschillende manieren, bijvoorbeeld:

          De armen spreiden.

          De benen spreiden.

In een kring staan en licht achteroverhellen, met de armen gespreid.

Met de vingers de letter A vormen.


Nu teken je de letter (kapitaal) A over de tekening van de prinses heen (of je projecteert ze erop of je gebruikt een doorschijnend blad of folie).  

Je zegt de klank van de A en je tekent in verschillende groottes en in verschillende kleuren de kapitaal A rondom de prinses. Elke kapitaal die je getekend hebt, laat je door de kinderen (klassikaal) lezen.

In Antwerpen kun je ook de                               van  Antwerpen ertussen zetten.

Daarna teken je de letter in verschillende vormen. Als onderkastletter (leesletter ofte kleine drukletter op 2 manieren: a en a, als handschriftletter a en als sierlijke hoofdletter A. Enkele keren op verschillende plaatsen op het bord en in verschillende kleuren. Elke letter die je tekent laat je door de kinderen lezen.


 

 NAMEN DIE MET A BEGINNEN

Nu is het tijd om namen te zoeken die met A beginnen of waarin de A voorkomt. De eerste namen die de kinderen aanbrengen teken je op het bord, de volgende noteer je op een blad en zet je later (terwijl de kinderen tijdens het zelfstandig werk het bord overnemen) op het bord. Steeds in kapitalen want het gaat nog om tekenen, niet om schrijven.

Begin eerst met de namen van de kinderen in de klas.

Bijvoorbeeld: AÏCHA, ALICJA, ADRIAAN, ARAF.

Vervolgens de namen van broers, zusjes en andere kinderen en leerkrachten op school en ten slotte van andere mensen, van dieren enz.  

Bijvoorbeeld: AAGJE, ANNE, AART, ABEL, BLACKY enz.

Daarna zoek je namen met een A erin of eindigend op A.

Bijvoorbeeld: GABRIËL, ELIAS, MARIA enz.

Woorden die met een A beginnen en met een A erin.

Bijvoorbeeld: APPEL, AARDBEI, PAPA, MAMA enz.

 

Schrijf enkele namen en woorden in kapitalen op het bord, de andere noteer je op een blaadje en voeg je later – tijdens het zelfstandig werk – toe op het bord.  

Het is niet nodig om de letter A een aparte kleur te geven binnen een woord.

Namen en woorden staan door elkaar op het bord. Dit hoeft niet perfect horizontaal te zijn, enige beweeglijkheid en soepelheid maakt het des te interessanter.

Je hoeft niet alle namen en woorden die de kinderen aanbrengen op het bord te zetten, je maakt een keuze en later, als de kinderen zelfstandig aan het werk zijn, kun je individueel namen en woorden laten toevoegen. Die schrijf je dan even voor op een klad- of oefenblaadje. 

Moeten alle kinderen alles overnemen van het bord?

Nee, dat hoeft niet.

Ieder kind werkt zo goed mogelijk en je zorgt als leerkracht ervoor dat je zwakke kinderen individueel helpt. Het resultaat is minder belangrijk, maar het moet wel mooi zijn.

Als een kind moe is van het schrijven en tekenen, dwing het dan niet om voort te doen, maar geef een andere opdracht, bijvoorbeeld een bewegingsopdracht.

 

Waarom eerst namen zoeken?

Door met namen te beginnen wek je de aandacht van de kinderen. In iedere naam komen klinkers voor, waardoor je in de eerste week van het schooljaar al ieder kind individueel kunt ‘raken’: minstens één keer in die eerste week zal de naam van ieder kind op het bord staan en zal het kind zich daardoor persoonlijk aangesproken voelen.

Maar namen hebben nog meer voordelen. In vele namen worden de letters anders verklankt dan we in het Nederlands gewoon zijn. Door met namen te beginnen pinnen we de uitspraak van de letters niet vast op één klank. Toch herkennen de kinderen die letters in hun naam. Een jongen die Teun heet weet perfect dat er in zijn naam een E en een U voorkomen, maar weet ook dat die niet als E en U uitgesproken worden. In Gudrun zie je een U (twee zelfs), maar hoor je een OE. Trui heeft een U en een I, maar je hoort iets helemaal anders. Bij Louis zie je drie klinkers, maar twee daarvan klinken anders dan verwacht. Zo is dat ook voor Wouter met zijn O en U die niet als O en U te horen zijn.  En heet het kind Lewis, dan heeft die E een wel heel vreemde klank. Sommige letters worden zelfs helemaal niet uitgesproken. Neem bijvoorbeeld Jules: De E en de S hoor je niet, maar zie je wel. De twee L’en in Guillaume klinken als een J en de A en de U klinken samen als O. In Margaux verdwijnen niet minder dan drie letters in die éne klank O. Toch heerlijk, dat je met namen zo een grote beweeglijkheid hebt in het verklanken van de letters. Is dit niet te verwarrend voor kinderen die pas beginnen lezen? Helemaal niet, het maakt het denken soepel en de kinderen aanvaarden probleemloos dat niet alles is zoals het er op het
eerste gezicht uit ziet. Trouwens, hoe denk je dat Franse en Engelse kinderen leren lezen? Van bij het begin leren zij woorden lezen waarin letters andere klanken voorstellen dan men fonetisch gezien verwacht en zijn er letters die niet uitgesproken worden.

 

Heb je 2 à 3 minuten lang namen en woorden laten zoeken en heb je voldoende namen en woorden op een blaadje genoteerd om straks op het bord te zetten, dan laat je de kinderen in groepjes van 5 à 6 aan het bord komen om er een letter A te tekenen met wit krijt: eerst de schuine lijn links van boven naar beneden, dan de schuine lijn rechts van boven naar beneden en dan het horizontale streepje van links naar rechts. Met drie lijnen kun je de letter A tekenen. Dit laat je in de volgende rekenperiode bij de behandeling van het getal 3 nog eens doen. Zo kun je het tekenen van letters verbinden met het tellen. In de loop van de volgende dagen kom je bij deze reeks: de I teken je met één streep (in één beweging) net als de O en de U. De L in twee bewegingen, de A in drie, de E in vier.

 

Analyse van teksten: visuele analyse + auditieve synthese.

Op de rechtervleugel van het bord (of op een bord op een andere plaats in de klas of buiten de klas) staan enkele zinnen uit het sprookje De kikkerkoning. Het lettertype is onderkast (leesletter), maar elke zin begint met een kapitaal en de leestekens staan er zoals het hoort.

 

                Bijvoorbeeld:

                Waar is mijn gouden bal?

                Ach, mijn bal is in de bron gevallen.

                Het prinsesje is heel droef.

 

De kinderen komen bij het bord staan. Als het klaslokaal te klein is, kun je een bord apart voorzien voor de analyseoefeningen en dit bord in een ander lokaal of in de gang zetten. Dit geeft extra beweging. Wacht niet tot alle kinderen perfect en stil bij het bord staan, maar begin onmiddellijk zodra je zelf bij het bord bent aangekomen. Omdat je voldoende herhaling voorziet, is het geen probleem als niet iedereen van bij het begin alles meedoet. Hoe strakker je tempo, hoe beter voor de kinderen.

 

Waarom meer dan één zin?

Om de kinderen die al kunnen lezen tegemoet te komen.

Om voldoende mogelijkheden te hebben bij de analyse.

 

Lees een drietal keer de drie zinnen, klassikaal.

 

Als je een aanwijsstok gebruikt of je wijst met de hand aan, dan volg je in het begin de zin van links naar rechts, maar na enkele dagen wijs je de regel alleen nog achteraan aan, niet ervoor. Zo dwing je de kinderen om de ogen direct naar het einde van de regel te richten. Dit bevordert het vloeiend lezen.

Zo doe je dit ook als je een woord aanwijst: steeds het einde van het woord aanwijzen. Wanneer de kinderen beginnen met het lezen van boeken en ze willen daarbij de regels aanwijzen met een strook papier of een lat, dan laat je hen dit doen boven de regel. Op deze manier kunnen ze vooruitkijken naar de volgende regel. Laat je dit aanwijzen onder de regel gebeuren, dan zien ze niet wat er gaat komen.

 

Zijn er kinderen in de klas die al kunnen lezen, dan mogen zij de tekst ook apart voorlezen. Meestal zijn er enkele kinderen in de klas die al kunnen lezen; zij zijn de voortrekkers voor de andere kinderen. Dankzij deze oefeningen worden deze kinderen actief bij de les betrokken en gaan ze zich niet vervelen.

           

Je wijst nu een willekeurig woord aan in de tekst: de kinderen lezen het woord klassikaal. Bij deze oefeningen zelden of nooit een kind apart laten lezen, maar steeds gezamenlijk. Zo kunnen de zwakke kinderen ook meedoen. Later, tijdens het zelfstandig werk kun je kinderen apart laten lezen. Een voorbeeld:  

Wijs het woord Ach aan, de kinderen lezen ‘ach’.

Wijs het woord mijn aan, de kinderen lezen ‘mijn’.

Wijs het woord bal aan. De kinderen lezen ‘bal’.

Wijs het woord is aan. De kinderen lezen ‘is’.

Wijs het woord droef aan. De kinderen lezen ‘droef’.

Dit doe je nog een of twee keer op dezelfde wijze. Het lezen zal steeds vlugger gaan omdat de kinderen de tekst snel uit het hoofd kennen.

Je vraagt: wat heb je nu eigenlijk gelezen?

Een kind (of enkele kinderen) zal bijvoorbeeld antwoorden: ‘Ach mijn bal is droef.’

Je vraagt: ‘Is de bal droef?’ ‘Kan dat, een bal die droef is?’

Hier volgt een heel kort klasgesprekje van 1 à 2 minuten. De kinderen mogen door en met elkaar spreken. Een lichte chaos is nu op zijn plaats ter afwisseling van het sterk geleide werk.

 Het herkennen van de woorden uit de tekst is VISUELE ANALYSE. Maar tegelijk doe je ook aan AUDITIEVE SYNTHESE, doordat je met de woorden een nieuwe zin maakt.  

Wacht nu niet tot het weer stil is, want dan kun je nog lang wachten. Begin gewoon aan de volgende analyse + synthese, dus met het maken van een tweede zin. Zo heb je direct weer de aandacht van iedereen.

De zinnen moeten niet altijd ernstig of zinvol zijn. De kinderen genieten ervan als de zin inhoudelijk niet helemaal klopt. 

Bijvoorbeeld:

Wijs Waar aan: de kinderen lezen ‘waar’.

Wijs is aan: de kinderen lezen ‘is’.

Wijs het aan: de kinderen lezen ‘het’.

Wijs gouden aan: de kinderen lezen ‘gouden’.

Wijs prinsesje aan: de kinderen lezen ‘prinsesje’.

Twee- of driemaal herhalen en daarna weer een kort chaotisch klasgesprekje van 1 à 2 minuten over: ‘Bestaat er een gouden prinsesje?’

 

Nu kun je nog een derde zin maken. Bijvoorbeeld:

Wijs Het aan: de kinderen lezen ‘het’.

Wijs prinsesje aan: de kinderen lezen ‘prinsesje’.

Wijs is aan: de kinderen lezen ‘is’.

Wijs in aan: de kinderen lezen ‘in’.

Wijs de aan: de kinderen lezen ‘de’.

Wijs bron aan: de kinderen lezen ‘bron’.

Wijs gevallen aan: de kinderen lezen ‘gevallen’.

 

Weer twee- of driemaal herhalen gevolgd door een kort chaotisch gesprekje over deze zin.

 

Zoals je in deze voorbeelden kunt zien, hoef je niet alleen éénlettergrepige woorden te gebruiken. Het heeft zelfs voordelen om meerlettergrepige en éénlettergrepige woorden door elkaar te gebruiken, omdat de zeldzame lange woorden snel te herkennen zijn.

 

Dan volgt de analyse van woord naar letter.

Je laat bijvoorbeeld drie kinderen bij het bord komen en geeft hun iets om aan te wijzen (stok, lat…). Telkens een kind de gevraagde letter heeft aangewezen, geeft het de stok door aan een kind in de klas, dat dan ook bij het bord komt en even wacht tot de twee kinderen vóór hem een letter aangewezen hebben. Zo kunnen vele kinderen kort na elkaar aan de beurt komen.  

L: ‘Waar zie je de letter a?’

Het eerste kind mag in een woord de letter a aanwijzen. Het tweede kind wijst in een ander woord (of in hetzelfde woord) de letter a aan. Het derde kind doet dit ook, en zo verder tot er een vijf- à zestal kinderen aan de beurt geweest is.

Het is geen probleem als twee kinderen na elkaar dezelfde a aanwijzen.

Hanteer bij deze oefening een vlot tempo. Niet wachten! Kan een kind de letter niet aanwijzen, dan help je even en direct komt het volgende kind aan de beurt.

 

Syntheseoefeningen: visuele synthese.

Omdat er nu slechts één letter aangebracht is, kan er nog geen sprake zijn van synthese. Maar de oefening kan al gemaakt worden zodat de kinderen, zodra er in de tweede week een medeklinker bijkomt, er al vertrouwd mee zijn.

Op de linkervleugel van het bord, of beter nog op een bord ergens anders in of buiten de klas staat de letter a in onderkastletter (leesletter). De kleur van de letter kies je zelf. De kinderen komen bij dit bord staan. Links op het bord staat a, rechts daarvan aa, uiterst rechts a. Boven de eerste a staat een lange horizontale pijl (→). Boven de middelste aa staat een lange horizontale pijl (→). Boven de rechtse a een korte verticale pijl (↓). Het punt rechts dient voor de doffe e die morgen aan de beurt komt.


  

De eerste a moet lang klinken bij het lezen. Waarom? Omdat in het Nederlands zeer veel open lettergrepen voorkomen waarbij de klinker lang wordt uitgesproken. Ook bij het lezen van het alfabet in het Nederlands klinken de klinkers lang terwijl ze slechts één keer geschreven worden. In het Frans bijvoorbeeld is dit niet zo, de e in het alfabet klinkt er als een doffe e.

De middelste aa klinkt ook lang. Dit is voor de hand liggend, in gesloten lettergrepen wordt de lange klank meestal voorgesteld door twee klinkers. Uitzondering is het onbepaald lidwoord ‘een’, daarin klinkt de dubbele e als een doffe e. Dit komt morgen aan de beurt.

De rechtse a klinkt kort. Ook dit is duidelijk, een korte klank in een gesloten lettergreep schijf je met één klinker.

 

Dit oefen je met gebaren waarmee je lang en kort uitbeeldt. Bijvoorbeeld zo: bij de lange klank gaan de twee handen voor de borst langzaam uiteen. Bij de korte klank tik je met de vingertoppen van de ene hand op de palm van de andere hand.

Dit herhaal je een drietal keer in dezelfde volgorde, van links naar rechts. Daarna ook nog eens door elkaar.

 

Dictee: auditieve analyse.

De kinderen gaan naar hun plaats.

Ze nemen een kleurpotlood of – bij voorkeur – een schetspotlood.

Ze krijgen een klein oefenblad (formaat A6 = kwart van een A4-blad).

Je geeft eerst duidelijk aan (desnoods voordoen op het bord) dat de kinderen de letters naast elkaar moeten schrijven en aan de linkerkant van het blad moeten beginnen. Dit oefen je desnoods vóór je met het dictee begint.

Waarom op deze manier?

Omdat dit voorbereidt op de visuele synthese die in een later stadium bij deze dictees aan bod komt en waarbij de kinderen de woorden lezen die ze gevormd hebben met de letters.

De kinderen schrijven (tekenen) de letters in kapitalen. De kinderen die al verbonden schrift kennen, mogen dat vanzelfsprekend gebruiken.

L (leerkracht): ‘Teken (schrijf) de letter van de eerste klank die je hoort in AARDE.’

De kinderen schrijven (tekenen) de A.

L: ‘Teken de letter van de laatste klank die je hoort in MAMA.’

De kinderen schrijven (tekenen) de A.

L: ‘Teken de letter van de middelste klank die je hoort in PAN.’

De kinderen schrijven (tekenen) de A.

L: ‘Teken de letter van de laatste klank die je hoort in PAPA.’

De kinderen schrijven (tekenen) de A.

L: ‘Teken de letter van de middelste klank die je hoort in VAL.’

De kinderen schrijven (tekenen) de A.

L: ‘Teken de letter van de eerste klank die je hoort in AAP.’

De kinderen schrijven (tekenen) de A.

 

Een of twee kinderen verzamelen de blaadjes. Ook dit mag weer chaotisch verlopen.

 

 

https://www.cielen.eu