SINTE ODILIA, 13 december

Luc Cielen in Rinkkrant 614 van 13 december 2002


Het moet toch maar lukken dat er op 13 december twee heilige vrouwen worden gevierd die alle twee hun ogen op een schoteltje dragen. Over Lucia had ik het vorige week, maar vandaag is het ook de feestdag van Odilia. En waarom zij haar ogen op een bordje (of boven een boek of een kelk) presenteert, dat verneem je zo dadelijk.

 

Maar eerst vertellen dat het Europees Parlement regelmatig vergadert in Straatsburg. En dat is helemaal niet zo ver van de plaats waar Odilia geboren is, en waar nu nog steeds het klooster staat waarin ze geleefd heeft. Je kan er niet naast kijken, want op de autoweg naar Basel, die evenwijdig met de Rijn zuidwaarts loopt, zie je even buiten Straatsburg al de grote wegwijzers naar de Mont-Sainte-Odile, en zie je het klooster boven op de berg liggen. Vroeger heette deze berg : Sankt-Odilienberg, maar sinds de Fransen dit Duitstalig gebied in eigendom hebben, is het Frans er toch de voertaal geworden. Maar de belangstelling voor Sinte Odilia is er niet minder om geworden. Ook voor de Fransen blijft het klooster een pelgrimsoord. Hier komt het verhaal.

 

We zijn in het jaar 660. In de burcht Hohenburg, die bovenop een hoogte lag die in oostelijke richting uitkeek over de brede, mooie en vruchtbare Rijnvallei, maakten hertog Athich en zijn vrouw Bereswinda zich op voor de geboorte van hun eerste kind. Het kwam tot een korte woordenwisseling, waarbij Athich nogal duidelijk liet blijken dat een meisje voor hem absoluut niet kon : het moest een jongen zijn. Toen dan enkele dagen later het kind werd geboren, was het een meisje. Bereswinda was er trots op, maar Athich hield zich afzijdig. Korte tijd later bleek dat het meisje blind was. Ze reageerde in elk geval niet op visuele prikkels. En toen Athich dat vernam, was hij woedend. Wat een mislukking ! Hij liep dag in dag uit als een prikkelbare woeste beer door het huis, er viel geen land met hem te bezeilen. Het kind moest maar weg, en liefst zo snel mogelijk. Tenslotte vond de moeder er niets anders op dan het kleine meisje onder te brengen in het klooster van Beaume-le-Dames.

 

Ze werd een tweede keer zwanger en zie, tot grote tevredenheid van de vader, kwam er nu een van gezondheid blakend perfect jongetje ter wereld. Het kreeg de naam Hugo en het zou de opvolger worden van zijn vader. Dus werd het omringd met alle mogelijke zorgen. En het meisje ? Dat groeide op in het klooster en werd een ware schoonheid. Al kon het dat zelf niet zien.

 

Op een nacht kreeg bisschop Erhard van Regensburg een droom en zag daarin een engel die hem opdroeg naar het klooster te gaan om daar een blind meisje te vinden dat hij moest dopen. Toen Erhard wakker werd, ging hij onmiddellijk op reis en bereikte na een vermoeiende tocht van verschillende dagen het klooster. Hij nam het meisje mee naar een nabijgelegen bos, bracht haar bij een bron, doopte haar met het water ervan en noemde haar Odilia, dat betekent : ‘Gods zon’ of ‘Gods Licht’. Toen het doopwater haar ogen bespatte, gebeurde er een wonder : Odilia kon plotseling zien. Ze keerde terug naar het klooster en kreeg er een opleiding zoals elke adellijke jongedame in die dagen kreeg.

 

Enkele tijd later stuurde ze een brief naar haar broer Hugo in Hohenstein, waarin ze hem vroeg of ze op bezoek mocht komen bij hem. Hugo was zo verrukt over die brief dat hij prompt zijn vader daarover vertelde, maar die was terughoudend en zei tenslotte : “Nee !” Maar Hugo was niet voor niets de zoon van zijn vader, even koppig en vasthoudend en wat deed hij ? Hij liet Odilia weten dat ze welkom was. Enkele weken gingen voorbij. Odilia stond op een dag voor de ouderlijke burcht. Haar broer kwam haar tegemoet om haar gastvrij te ontvangen, maar vader Athich ontstak in een vreselijke woede. Hij nam een stok en ranselde zijn zoon zo ongenadig hard af, dat hij dood neerviel. Odilia boog zich over haar broer en wekte hem weer tot leven. De vader schrok van zijn eigen woede-uitbarsting en liet daarom de zaken maar even op hun beloop. Odilia nam haar intrek in de burcht.

 

Nu kon de vader er ook niet naast kijken : zijn dochter was echt wel een schoonheid. Daar viel nog wel iets mee aan te vangen : uithuwelijken dus. Hij nodigde de ene ridder na de andere uit, maar Odilia wees ze allemaal resoluut af. “Mijn hart kan niet aan één man toebehoren,” zei ze, “het behoort aan velen.” De vaderlijke woede kreeg toen weer de bovenhand. Hij verplichtte haar te huwen met de eerste de beste die nu om haar hand kwam vragen. En Odilia begreep dat ze niet langer thuis kon blijven. Ze vluchtte weg, de berg af, de vallei over tot bij de Rijn. In het eerste ochtendlicht vond ze een veerman die haar naar de overkant bracht. Daar vluchtte ze de vlakte over en kwam bij het gebergte dat de vallei omsluit. Heer Athich had haar vlucht al snel gemerkt en was met de huwelijkskandidaat haar achterna gegaan. Amper had Odilia het gebergte aan de overkant van de Rijn bereikt of de beide ruiters zaten haar zo dicht op de hielen dat ze geen kant meer uitkon. Odilia holde een rotsspleet in om zich daar te verbergen. Net zagen Athich en de ridder hoe ze daar invluchtte en zagen tot hun verbijstering ook hoe de rotswand zich daarop sloot.

 

Rotsblokken stortten naar beneden en verwondden daarbij de hertog. Het leek of de aarde zelf zich bekommerde om het lot van Odilia. Dat begreep de vader nu ook, en mede door de verwondingen plots tot inzicht komend, knielde hij voor de grot neer en riep : “Odilia, vanaf nu zal ik je altijd helpen. Nooit zal ik je nog mijn wil trachten op te leggen !” De rots opende zich en een stralende Odilia trad te voorschijn, mooier dan ooit tevoren. Ze boog zich over haar vader en verzorgde zijn wonden. En zie, uit de rotswand begon water te stromen. Geneeskrachtig water, want allen die blind zijn of zieke ogen hebben, kunnen daar genezing vinden. Odilia kreeg van haar vader de burcht Hohenburg, die nu tot klooster werd omgebouwd. Hij werd er, samen met zijn echtgenote, tot op hoge leeftijd verzorgd door zijn dochter en de nonnen die er zich waren komen vestigen, en stierf er een zalige dood. Zijn zonden waren echter te groot om in de hemel te komen, zijn ziel steeg niet hoger op dan het vagevuur. Odilia zag dat met haar innerlijk oog en bad toen zo volhardend dat de ziel van haar vader toch snel het vagevuur mocht verlaten en in de hemel werd opgenomen. Rond het jaar 700 stichtte Odilia nog een klooster, beneden bij de voet van de berg. Naar het schijnt om de bezoekers, die te oud of te vermoeid waren om de berg te beklimmen, tegemoet te komen. Het is het klooster Niedermünster, dat nu vervallen is tot een ruïne.

 

Twee wonderen worden nog over haar verteld. Het eerste is een heel praktisch : een molenaar had op een dag een boomstam van een bepaalde lengte nodig. Waarvoor wordt niet verteld. Maar de timmerman maakte een fout en zaagde de boomstam te kort af. Wetend hoeveel arbeid het kost om een andere boomstam te hakken en op maat af te zagen, kwam Odilia de molenaar te hulp en zorgde ervoor dat de boomstam lang genoeg werd. Het tweede wonder gaat over haar eigen dood. Ze voorspelde de dag van haar dood en vroeg haar medenonnen om die dag in de kerk te komen om te bidden. Toen de nonnen die ochtend de kerk betraden vonden ze Odilia dood ter aarde liggen. Ze begonnen daarop hevig en vurig te bidden en zie : Odilia stond op, en sprak de nonnen toe : “Waarom zijn jullie zo verdrietig ? Zie, de heilige Lucia kwam bij mij en ik zag en hoorde alles wat men met gewone ogen en oren niet kan zien en horen.” Toen ging Odilia naar het altaar, nam de kelk met hosties en ging zo te communie. Vele jaren lang toonde men met trots en eerbied de kelk die Odilia na haar dood had vastgenomen.

 

Odilia is nu de patrones van de Elzas. Onze europarlementairen, net als de vele toeristen in de Elzas, zullen haar naam gegarandeerd al dikwijls zijn tegengekomen.

 

Zo kreeg 13 december, de dag waarop eertijds de zon weer begon te klimmen en de dagen langer werden twee lichtheiligen toegewezen.