|
Uitspraken van Rudolf Steiner
over wiskunde |
Commentaar van Luc Cielen |
|
|
128 |
Het hele onderwijs in de meetkunde, ja zelfs in het rekenen, moet appelleren
aan de fantasie. We appelleren aan de fantasie wanneer we altijd proberen om
een kind niet alleen via zijn verstand bij te brengen wat vlakken zijn, maar
ook zo, dat het zijn fantasie moet gebruiken - zelfs bij meetkunde en
rekenen; we hebben hierover in de praktisch-didactische besprekingen
gesproken. Algemene Menskunde als basis voor de pedagogie (Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik
veertiende voordracht, Stuttgart, vrijdag 5 september 1919) |
Het rekenen moet doordrongen zijn van fantasie vanaf het begin. Maar
deze fantasie moet snel losgelaten worden om tot het zuivere rekenen te
komen. Niet te lang bij de fantasie blijven. Dit geldt bijvoorbeeld voor het
gebruik van de Romeinse cijfers in de 1e klas. De Romeinse cijfers in de
eerste klas hoeven trouwens niet als Romeinse cijfers benoemd te worden, het
zijn niets anders dan vingers en handen. I = 1 vinger, II = 2 vingers enz. V
is een hand met 5 vingers. VI = hand + 1 vinger enz. X = 2 handen (1 hand
omhoog, 1 hand omlaag). Tegelijk met deze getalnotering
moeten de Arabische cijfers gebruikt worden omdat haast elk kind de Arabische
cijfers al kent als het in het eerste leerjaar komt. |
|
150 |
Im Menschen vom 7. bis 14. Jahre müssen
entwickelt werden in der richtigen Weise Denken, Fühlen und Wollen.
Geographie, Rechnen, alles muss so verwendet werden; dass in der richtigen
Weise Denken, Fühlen, Wollen entwickelt werden. (Die Erziehungsfrage als
soziale Frage. Rudolf Steiner Verlag Dornach 1979, tweede
voordracht, Dornach, zondag
10 augustus 1919). |
Dit is het algemene uitgangspunt dat tegenwoordig overal aanvaard
wordt: denken-voelen-doen. Maar de uiteindelijke klemtoon moet toch op
inzicht en kennis liggen. Voelen en doen (willen) staan in dienst van het
denken. |
|
151 |
Für ein bestimmtes Lebensalter ist zum
Beispiel vor allen Dingen notwendig, etwas Rechnen beizubringen. Dazu muss
man zwei, drei Monate verwenden, um an den Vormittagen Rechnen beizubringen.
Nicht einen Stundenplan, der alles durcheinander enthält, sondern der Rechnen
eine Zeitlang treibt - dan weitergehen. (Die
Erziehungsfrage als soziale Frage. Rudolf Steiner Verlag Dornach 1979, tweede voordracht, Dornach, zondag 10 augustus 1919). |
Een rekenperiode van 2 tot 3 maanden is wel zéér lang en bijzonder
vermoeiend voor kinderen die problemen hebben met rekenen. 3 weken is het
maximum voor een rekenperiode op voorwaarde dat er tussen de rekenperiodes
ook dagelijks gerekend wordt. Een hele voormiddag rekenen is trouwens ten
zeerste af te raden. Een periodeles van 2 lesuren (100 minuten) is meer dan
voldoende, al mogen leerlingen - als er daarvoor ruimte is - ook andere
momenten van de dag aan rekenen besteden. |
|
155 |
Aanschouwelijk onderwijs vanaf het eerste
leerjaar met als voorbeeld: ich habe Sie ja öfter darauf aufmerksam gemacht, wie man zum Beispiel
dem Rechenunterricht anschaulich machen will: Rechenmaschinen stellt man in
der Schule auf! (Die Erziehungsfrage als soziale Frage. Rudolf Steiner
Verlag Dornach 1979 68 vierde voordracht
Dornach vrijdag
15 augustus 1919) |
Dit is een negatieve benadering van rekentoestellen. Het is wel zinvol
deze toestellen te gebruiken op voorwaarde dat men op een bepaald moment ook
uitlegt hoe een rekentoestel werkt en waarom men bij bepaalde opgaven toch
best een rekentoestel gebruikt. Een rekentoestel als controle-instrument is
nuttig. Een rekentoestel is zinvol bij het ontleden in priemfactoren. De
geheugentoets van een rekentoestel is handig bij het onderzoeken van getallen
en parameters (bijvoorbeeld bij renteberekening). |
|
174 |
Het onderwijs valt immers - als we de begrippen wat strak omlijnen -
in essentie uiteen in twee delen, die elkaar weliswaar voortdurend
beïnvloeden: in het deel waar we de kinderen iets leren waaraan ze met hun
praktische vaardigheid, met hun hele lichaam deelnemen, waar we ze dus tot
een vorm van zelfwerkzaamheid brengen. We hoeven maar te denken aan euritmie,
muziek of gymnastiek; ja zelfs als aan schrijven of de uiterlijke handeling
tijdens het rekenen: we brengen de kinderen daarbij tot een bepaalde activiteit.
Het andere deel van het onderwijs is het beschouwende deel, waarbij we de
kinderen laten kijken, waarbij we ze op bepaalde dingen wijzen. (Menskunde
en opvoeding (Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung),
eerste voordracht, Stuttgart, zondag 12 juni 1921) |
Eerst doen (zelfwerkzaamheid) dan beschouwen. Het eerste is actief,
het tweede eerder passief. De gang van zaken is steeds: vanuit de activiteit
tot inzicht en kennis komen. |
|
194 |
Het is natuurlijk nodig dat wij, terwijl we zo lesgeven, veel leren.
Want je moet je veel bezighouden met zulke voorstellingen als je ze voor
jezelf, maar vooral als je ze in het onderwijs wilt toepassen. Ze laten zich
maar moeizaam in het geheugen prenten. Het is met deze dingen bijna net zo
als het vele wiskundigen met wiskundige formules vergaat: ze kunnen geen
enkele formule onthouden, maar ze kunnen ze op het moment zelf weer
reproduceren. (Menskunde en opvoeding (Menschenerkenntnis
und Unterrichtsgestaltung,
tweede voordracht, Stuttgart, maandag 13 juni 1921) |
Daarom is het nodig om tot inzicht te komen. Sommigen verwerven
inzichten snel, anderen hebben daarvoor veel oefening nodig. Het oefenen is
dan ook een belangrijk onderdeel van de lespraktijk. |
|
206 |
Geheel zelfstandig wordt het fysieke lichaam aangesproken bij
euritmie, bij muziek, bij gymnastiek en tot op zekere hoogte bij het
instrumentale muziekonderwijs; maar niet meer bij het zingen. Natuurlijk is
alles slechts relatief. Maar het is volstrekt tegenovergesteld: wat we in
déze vakken met de kinderen doen, ook wat de kinderen leren bij het lezen en
schrijven, waarbij we sterk appelleren aan de lichamelijke activiteit, staat
in tegenstelling tot de vakken waarbij dat veel minder het geval is, bijvoorbeeld
bij het rekenen, waarbij de lichamelijke activiteit een ondergeschikte rol
speelt; terwijl bij het schrijven de lichamelijke activiteit juist een zeer
grote rol speelt. (Menskunde en opvoeding (Menschenerkenntnis
und Unterrichtsgestaltung)
vierde voordracht, Stuttgart, woensdag 15 juni 1921) |
De lichamelijke activiteit speelt bij het rekenen net wél een grote
rol. Vanuit het ritmisch tellen en het actieve doen bij het rekenen komen de
kinderen tot inzicht in de opgaven. Te lang aan een stuk al zittend
rekensommen maken is niet zo'n goed idee. Het is daarom zinvol om tijdens het
rekenen veel bewegingsvrijheid te geven. |
|
209 |
Bij het rekenen valt de schrijfactiviteit als zodanig niet op omdat de
mens daarbij te veel in beslag genomen wordt door het denkwerk; dan treedt
het schrijven min of meer op de achtergrond. (Menskunde en opvoeding (Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung), vierde voordracht, Stuttgart,
woensdag 15 juni 1921). |
Dit kan opgelost worden door een sterke en regelmatige afwisseling:
eerst enkele opgaven opschrijven, dan oplossen. Ook regelmatig opgaven geven waarbiij niet moet nagedacht worden, maar waarbij de
oplossing als vanzelf uit het geheugen komt. |
|
339 |
Alles wat meetkunde en rekenen is, wat het noodzakelijk maakt dat de
mens zich getalsmatige en ruimtelijke voorstellingen maakt, dat draagt ertoe
bij dat het ik op de juiste wijze in het organisme gaat zitten als het door
het kind bij het onderwijs en de opvoeding opgenomen en verwerkt wordt. (Menskunde
innerlijk vernieuwd (Meditativ erarbeitete
Menschenkunde), vierde voordracht, Stuttgart,
woensdag 22 september 1920). |
Dit is een antroposofische uitleg om te zeggen dat een mens niet
zonder getalsmatige en ruimtelijke voorstellingen kan. De mens heeft de
ingebakken neiging om te tellen, te ordenen, te meten … |
|
365 |
Iets heel anders (dan lezen en schrijven) is het rekenen. U
zult voelen dat de hoofdzaak van het rekenen niet ligt in de vormen van de
cijfers, maar in de realiteit die leeft in deze vormen. (Opvoedkunst,
methodisch-didactisch, eerste voordracht, Stuttgart, donderdag 21 augustus
1919). |
De vorm van de cijfers is totaal ondergeschikt aan het rekenen. De
vormen zijn slechts conventies. Men kan met totaal andere vormen van cijfers
rekenen als men wil. In feite geldt dat ook voor de letters: ook die zijn
conventie en volledig ondergeschikt aan het lezen en schrijven. |
|
367 |
We kunnen in een weloverwogen vorm van onderwijs deze drie impulsen met
elkaar verbinden: het niet-fysieke in het kunstzinnige, het halffysieke in het rekenen en het fysieke in het lezen en
schrijven. Door deze drie met elkaar te verbinden zullen we een harmonisering
van de mens tot stand brengen. (Opvoedkunst, methodisch-didactisch, eerste
voordracht, Stuttgart, donderdag 21 augustus 1919). |
Anders gezegd: het kunstzinnige is immaterieel, het lezen en schrijven
zijn materieel (wat ik niet helemaal correct vind), het rekenen zit tussen
beide in en heeft van allebei wat. Een harmonische ontwikkeling krijg je door
een gezonde mix van kunstzinnig, lezen, schrijven en rekenen. Dit lijkt me
ook zonder de verhullende uitleg over fysieke, halffysieke
en niet-fysieke impulsen de meest normale zaak en wordt in haast alle
opvoedings- en onderwijsconcepten als vanzelfsprekend aanvaard en toegepast,
al had er in de meeste onderwijsconcepten wel meer aandacht mogen zijn voor
het kunstzinnige. |
|
371 |
We moeten kunst leren met het tekenen, we moeten zielenkrachten leren
met het rekenen en we moeten op kunstzinnige wijze de conventie leren met het
lezen en schrijven; we moeten het gehele onderwijs vervullen met een
kunstzinnig element. Daarom zullen we van meet af aan grote waarde hechten
aan de ontwikkeling van het kunstzinnige in het kind. Het kunstzinnige werkt
namelijk bijzonder in op de wil van de mens. (Opvoedkunst,
methodisch-didactisch, eerste voordracht, Stuttgart, donderdag 21 augustus
1919) |
De laatste zin is de meest zinvolle. In het kunstzinnige is de mens
sowieso met wilskracht bezig, want kunstzinnig bezig zijn gaat niet zonder
doen, gaat niet zonder een sterke persoonlijke inzet. |
|
379 |
Van het geheel naar de delen zetten we voort in het gehele onderwijs. R.St. geeft nu een voorbeeld voor rekenen.
Een blad in 24 stukjes verdelen en de stukjes op verschillende stapeltjes
leggen. Dan eerst tellen wat op elk stapeltje ligt. Tot slot terugkomen bij
het uitgangsgetal 24. We moeten het kind dus omgekeerd leren optellen als
gewoonlijk gedaan wordt: uitgaande van de som, dan komen tot de termen: de
samenstellende delen. (Opvoedkunst, methodisch-didactisch, eerste
voordracht, Stuttgart, donderdag 21 augustus 1919) |
Zolang we met voorwerpen rekenen is deze uitspraak correct en
haalbaar. Voor de kinderen is het ook goed zichtbaar. Maar om vlot te rekenen
moeten we bij het maken van sommen véél meer uitgaan van de delen om tot de
uitkomst te komen. Om inzicht in de bewerking te verkrijgen is het zinvol om
met puntsommen te werken, waarbij uitgegaan wordt van het geheel.
Bijvoorbeeld: 24 = 13 + . of 24 = . + 11. |
|
380 |
De omgekeerde richting kunt u dan volgen in het verdere rekenen. U
kunt bijvoorbeeld zeggen: Nu leg ik alle stukjes papier weer bij elkaar. Nu
pak ik er weer wat weg, maak twee stapeltjes en ik noem het stapeltje dat ik
weggelegd heb 3. Hoe kreeg ik die 3? Doordat ik ze afgehaald heb van de
andere. Toen alles nog bij elkaar was noemde ik het 24. Nu heb ik er 3
afgehaald en noem dat wat over is 21. Zo komt u tot het aftrekken. U gaat
weer niet uit van de termen, maar van de rest die over is. (Opvoedkunst,
methodisch-didactisch, eerste voordracht, Stuttgart donderdag 21 augustus 1919). |
Om al doende (met gebruik van voorwerpen) met aftrekken bezig te zijn
is dit perfect. Maar om de aftrekking echt te oefenen zijn de gewone
aftrekrijtjes nodig zoals 5 - 3 = 2. |
|
381 |
(over het rekenen vanuit geheel naar de delen): we doen het zo dat we mét het inzicht - dat beslist niet verwaarloosd
mag worden, maar tegenwoordig eenzijdig benadrukt wordt - tegelijk ook het
autoriteitsgevoel aanspreken. Want we zeggen immers voortdurend: dàt noem ik 24, dàt noem ik 9. (Opvoedkunst,
methodisch-didactisch, eerste voordracht, Stuttgart, donderdag 21 augustus
1919). |
Het autoriteitsgevoel aanspreken bij het rekenen lijkt me niet echt de
juiste werkwijze. In het rekenen is het veel meer nodig om de kinderen zelf
te laten onderzoeken en niet op gezag te aanvaarden. Het eigen ontdekken
leidt tot beter inzicht. Het aanvaarden op basis van het gezag van de
autoriteit leidt tot geloof en is niet de goede wetenschappelijke houding.
Wetenschap gaat altijd uit van niet-geloven. Wat Steiner hier aangeeft heeft
wél met autoriteit te maken in die zin dat het kind de naam van het getal
overneemt, net zoals het namen van voorwerpen overneemt op gezag van anderen.
|
|
482 |
Daarom is het goed om te bedenken hoe men zelfs ieder jaar terug kan
komen op heel specifieke motieven in de opvoeding. Als u dus dingen uitzoekt
die u behandelt, noteert u die dan en kom ieder jaar op iets soortgelijks
terug. Zelfs bij abstractere dingen kan men dat doen. Om een voorbeeld te
noemen: u leert de kinderen in de eerste klas optellen - passend bij het
gemoed van het kind. In de tweede klas komt u dan weer terug op het optellen
en leert de kinderen er wat bij en in de derde klas herhaalt zich dat.
Dezelfde handeling speelt zich bij herhaling af - maar steeds uitgebreider. (Opvoedkunst,
methodisch-didactisch, zesde voordracht, Stuttgart, woensdag 27 augustus
1919). |
Dit is een van de basiselementen van het leren: herhaling en
voortdurend iets nieuws bijvoegen. Maar dat hoeft niet van jaar tot jaar, dat
kan - veel beter zelfs - van periode tot periode. In elke nieuwe periode
voegen we nieuwe leerstof toe, tussen de periodes oefenen we. |
|
526 |
Iets later moet men dan beginnen met rekenen. Een heel exact punt in
de ontwikkeling is daarvoor niet aan te geven en daarom kan men het rekenen
inrichten volgens andere maatstaven die ook een rol spelen. Wat daar allemaal
komt bij kijken zullen we later in het leerplan opnemen. (Opvoedkunst,
methodisch-didactisch, tiende voordracht, Stuttgart, maandag 1 september
1919). |
Iets later beginnen met rekenen? Op een ander moment zegt Steiner dat
er de eerste maanden in de eerste klas geen rekenen aan bod komt, en dat er
dan later een rekenperiode van 2 to 3 maanden komt.
Dit is niet zinvol. Het lijkt alsof Steiner hier nog niet goed weet wanneer
er best met rekenen begonnen wordt. |
|
552 |
schematisch overzicht van welke vakken in welke fase van de lagere
school aan bod komen. Zie blz 123 (Opvoedkunst,
methodisch-didactisch) |
In dit schema staat: 'iets later rekenen'. Iets later dan het negende
jaar? Dit is niet mogelijk en niet zinvol. |
|
577 |
Eigenlijk moet ieder 14-jarig kind in de rekenles de regels geleerd
hebben van in ieder geval de eenvoudigste vormen van boekhouding.
(Opvoedkunst, methodisch-didactisch, twaalfde voordracht, Stuttgart, woensdag
3 september 1919). |
Dit komt geleidelijk aan bod vanaf de 5e of 6e klas. Zeker als we de
kinderen de gelegenheid geven een schoolwinkel op te zetten. Dit hoeft niet
per se binnen het kader van de rekenlessen te gebeuren. |
|
610 |
In die tijd kunnen we er van uitgaan dat de mens een instinct heeft
voor rente, voor winst, voor disconto en dat soort dingen. Dat appelleert aan
de instincten maar moet al wel heel duidelijk overstemd worden door het
oordeelsvermogen. Daarom moeten we de relaties tussen het rekenen enerzijds
en de verspreiding van de goederen en de vermogensverhoudingen anderzijds -
de berekening dus van procenten, van rente, disconto en dat soort dingen -
zeker in deze tijd behandelen (tussen 12 en 15 jaar). (Opvoedkunst,
methodisch-didactisch, veertiende voordracht, Stuttgart, vrijdag 5 september
1919). |
Het is overdreven om te spreken van een instinct voor rente, winst en
dergelijke. Dat kinderen graag 'winkeltje' spelen is een feit en dat ze op
deze leeftijd dat ook graag in de reële wereld doen, is ook zo. Het is dus nodig om deze zaken te
behandelen in deze leeftijdsfase. |
|
615 |
We zullen de vier rekenbewerkingen als het kan niet al te langzaam na
elkaar behandelen en dan alle vier oefenen! Eerst tot 40 bijvoorbeeld. Zo
zullen we niet volgens het geijkte lesrooster leren rekenen, maar zo dat door
het oefenen alle vier bewerkingen bijna gelijktijdig worden aangeleerd. U
zult ontdekken dat het op deze manier heel economisch gaat en dat men de
kinderen de dingen ook door elkaar kan laten doen. (Praktijk van het lesgeven, 3e
werkbespreking, Stuttgart, zaterdag 23
augustus 1919). |
Een bijzonder waardevolle opmerking. Men moet inderdaad de vier
hoofdbewerkingen tegelijk aanbrengen vanaf het moment dat men begint te
rekenen: dus vanaf een van de eerste dagen van de eerste rekenperiode in de
eerste klas. Het hoeft echter niet eerst tot 40. Beneden 5 kan het ook en
veel beter zelfs. Daarna breiden we de getallenrij geleidelijk uit tot 10,
daarna tot 20 en maximaal 30 in de 1e klas. Vanaf de 2e klas tot 100 en zo
verder. Je kunt met de deling en de vermenigvuldiging al beginnen zodra het getal
2 als dagthema aan bod komt. Zo krijg je dit: 2 = 1 + 1. en 1 + 1 = 2. En: 2
- 1 = 1. Vervolgens: 2 : 2 = 1 (2 potloden verdelen over 2 kinderen: elk
krijgt 1 potlood). En ten slotte: 1 x 2 = 2 (ik neem in één keer twee
potloden). |
|
639 |
Laten we eens van de optelling uitgaan, van de optelling zoals wij die
benaderen. Laten we eens aannemen dat ik bonen heb of vlierbesjes. Voor
vandaag ga ik ervan uit dat de kinderen al kunnen tellen. Dat moeten ze
immers ook eerst leren. Het kind telt. Het heeft er 27.
"Zevenentwintig" zeg ik, "dat is de som". We gaan uit van
de som, niet van de delen. (Praktijk van het lesgeven, 4e werkbespreking,
Stuttgart, maandag 25 augustus 1919). |
De werkwijze is goed, het aantal is overdreven. We kunnen veel beter
beginnen met hoeveelheden onder en tot 5 en even later tot 10 gaan. Als dat
goed gekend is steeds verder uitbreiden. Tellen met vlierbesjes is een
bijzonder moeilijke opgave voor kinderen in een eerste klas: de besjes zijn
zeer klein, rollen gemakkelijk weg en geven veel kleur af (tenzij ze gedroogd
zijn). Steiner bedoelde waarschijnlijk vlierpitbolletjes: de zachte kern van
vliertakken. Men kan echter beter tellen met grotere voorwerpen: potloden en
andere voorwerpen die op school (of thuis) beschikbaar zijn. Kopjes, borden,
messen, vorken, boeken, schriften, potloden en dergelijke zijn veel beter
materiaal om mee te tellen. Het voorbeeld van Steiner is een zeer primitieve
vorm van optellen: het is eigenlijk niet meer dan tellen (= steeds 1
bijvoegen). Een kind 27 bolletjes laten tellen, één voor één, is niet zinvol.
Dit doen we best op een andere manier, ofwel per 2, of per 3 of op een andere
overzichtelijke wijze. We moeten net vermijden dat een kind zulke
hoeveelheden één voor één gaat tellen. |
|
640 |
Ik zeg: 'Hier is een hoopje vlierbesjes. Tel eens hoeveel het er zijn!'
Hij telt er bijvoorbeeld 8. 'Ja, maar nu wil ik er niet 8 hebben, ik wil er
maar 3. Hoeveel moet je er wegleggen zodat ik er maar 3 krijg?' Het gaat er
dan om dat er 5 weggehaald moeten worden. Dan zeg ik: 'Wat is er weggenomen?'
En ik laat het kind zeggen: 'Als ik 5 van 8 wegneem, dan blijven er 3 over.' (Praktijk
van het lesgeven, 4e werkbespreking, Stuttgart, maandag 25 augustus 1919). |
Heel goede werkwijze voor het aftrekken, maar niet met vlierbesjes
(zie opmerking bij nr 640). Men moet echter
tegelijk ook de andere werkwijze gebruiken: van de termen naar de uitkomst. |
|
641 |
Ik leg weer wat vlierbesjes neer, maar zorg er wel voor dat het past.
Ik moet dat immers wel voorbereiden, anders zouden we te snel bij de breuken
terecht komen. Goed, dan laat ik tellen: 56 besjes. 'Kijk eens, hier heb ik 8
besjes. Nu moet jij me eens zeggen hoeveel keer die 8 besjes in de 56
zitten.' U ziet, een vermenigvuldiging leidt tot een deling. Het krijgt er 7
uit. Dan laat ik de berekening omgekeerd maken... en zeg: 'Maar nu wil ik
niet weten hoe vaak de 8 in de 56 zit, maar hoe vaak de 7 in de 56 zit. Hoe
vaak komt de 7 erin voor? (Praktijk van het lesgeven, 4e werkbespreking,
Stuttgart, maandag 25 augustus 1919). |
Het principe is goed, maar doe dit niet met zulke grote getallen en
zeker niet met vlierbesjes; vlierpitbolletjes zouden wel kunnen, maar dan nog
is het aantal veel te groot om ermee te werken. Als we met zulke grote
getallen werken duurt het veel te lang om één opgave te maken. |
|
642 |
De deling ...Kijk, daar is het hoopje van 8. Ik wil nu van jou weten
in welk getal zeven keer 8 zit'. En hij moet er 56 uitkrijgen, een hoopje van
56. (Praktijk van het lesgeven, 4e werkbespreking, Stuttgart, maandag 25
augustus 1919). |
Zie opmerking bij nr. 641 |
|
643 |
Optellen is verwant met het flegmatische en aftrekken is verwant met
het melancholische, vermenigvuldigen met het sanguinische en delen, het
teruggaan tot het deeltal, met het cholerische. (Praktijk van het
lesgeven, 4e werkbespreking, Stuttgart, maandag 25 augustus 1919). |
We moeten voorzichtig zijn met analogieën te zoeken tussen bewerkingen
en temperamenten. Zoals het hier staat gaan deze vergelijkingen op voor de
bewerkingen van de termen naar de uitkomst, niet andersom, als we de
temperamenten beschouwen zoals Steiner ze heeft beschreven. Het teruggaan tot
het deeltal bij de deling zou ik dan echter niet tot het cholerische
temperament rekenen. |
|
644 |
Het delen is immers verwant met het aftrekken en de vermenigvuldiging
is eigenlijk alleen maar een herhaalde optelling. (Praktijk van het
lesgeven, 4e werkbespreking, Stuttgart, maandag 25 augustus 1919). |
Dit is niet helemaal correct. De vermenigvuldiging is een 'versnelde'
optelling. Maar de deling is geen versnelde aftrekking, ze is de omkering van
de vermenigvuldiging en de vermenigvuldiging is de omkering van de deling. Je
kunt maar beter niet zeggen dat de deling verwant is aan de aftrekking, ze is
verwant aan de vermenigvuldiging en is er de omkering van. |
|
677 |
Die kinderen die niet goed rekenen, die laat u samen een heel of een
half uur langer euritmie of gymnastiek doen. (Praktijk van het lesgeven,
8e werkbespreking, Stuttgart, vrijdag 29 augustus 1919). |
Ten eerste is het niet goed om deze kinderen samen te nemen terwijl de
andere kinderen rekenen. Zo stigmatiseren we de zwakke rekenaars. Men kan dan
beter de hele groep in beweging zetten. |
|
678 |
U laat die kinderen (die niet goed rekenen) in de eerste plaats
staafoefeningen doen. De staaf in de hand: naar voren 1, 2, 3; naar achteren
1, 2, 3, 4. Het kind moet de staaf dus steeds naar voren en naar achteren
houden. Het moet zich inspannen om de staaf op de een of andere manier bij 3
naar achteren te krijgen. Dan moet er ook gelopen worden: 3 stappen naar
voren, 5 stappen terug; 3 stappen naar voren, 4 terug; 5 stappen naar voren,
3 terug enzovoort. U moet proberen om in de gymnastiek en misschien ook in de
euritmie getallen te verbinden met de bewegingen van het kind, zodat het
gedwongen is te tellen terwijl het zich beweegt. U zult zien dat dat succes
heeft. Ik heb dat diverse keren gedaan bij leerlingen. (Praktijk van het
lesgeven, 8e werkbespreking, Stuttgart, vrijdag 29 augustus 1919). |
Het gaat dus om tellen, niet om het rekenen als dusdanig. Zulke
opgaven zijn zinvol voor alle kinderen en moeten regelmatig aan bod komen. |
|
679 |
…Omdat aan het rekenen een wilsmatig zich-bewegen ten grondslag ligt,
de bewegingszin. Als men die op deze wijze in werking zet, dan werkt dat als
een aansporing op dat vermogen. (Praktijk van het lesgeven, 8e
werkbespreking, Stuttgart, vrijdag 29 augustus 1919). |
De wilsmatige beweging is verbonden met het tellen. Niet zozeer met
het rekenen. Rekenen is namelijk loskomen van het tellen door gebruik te
maken van bepaalde procédés (plus, min, maal,
deel…) |
|
680 |
In het algemeen is het zo, dat men door de bewegingsoefeningen de
gebrekkige vermogens in het rekenen en ook in de geometrie moet stimuleren.
Op het gebied van de geometrie zal men veel kunnen doen met zinvolle
euritmieoefeningen. Ook met staafoefeningen. (Praktijk van het lesgeven,
8e werkbespreking, Stuttgart, vrijdag 29 augustus 1919). |
Bewegingsoefeningen ondersteunen het tellen, niet zozeer het rekenen.
Ze ondersteunen ook de geometrie indien men daar aandacht voor vraagt tijdens
de beweging. |
|
729 |
Hoe pakt u de overgang aan van het gewone rekenen met cijfers naar het
rekenen met letters? … Voordat u tot letterrekenen
overgaat moet u de renteberekening toch al behandeld hebben. Rente is gelijk
aan kapitaal maal procent maal tijd, gedeeld door 100. Kort men de woorden af
tot de beginletters, dan kan men schrijven: r = k x p x t/100. De t is
afkomstig van tempus = tijd in het Latijn. Wanneer u naar deze formule
toewerkt gaat u van gewone getallen uit en het kind begrijpt vrij gemakkelijk
wat kapitaal is, wat procenten zijn, tijd enzovoort. Dit proces zult u de
kinderen dus proberen duidelijk te maken en u verzekert zich ervan dat de
meerderheid het heeft begrepen. (Praktijk van het lesgeven, 13e
werkbespreking, Stuttgart, donderdag 4 september 1919). |
De renteberekening komt sowieso vóór het rekenen met letters aan bod.
Maar dat geldt ook voor omtrek-, oppervlakte- en inhoudberekening,
waar de formules met letters (afkortingen) omgezet worden in getallen. Het is
de meetkunde die voorafgaat aan de algebra, want daar komen de kinderen
eerder mee in aanraking. |
|
730 |
Op deze manier hebben we het kind kapitaalrekening bijgebracht en nu
kunnen we overgaan naar het rekenen met letters. U kunt rustig zeggen: 'we
hebben geleerd, een som 25 was gelijk aan 8 plus 7 plus 5 plus 5, dus:
25=8+7+5+5' Nietwaar, dat hebben de kinderen ooit geleerd. En nu, nadat u dat
hebt uitgelegd, kunt u zeggen: 'Daar (in plaats van 25) kan ook een andere
som staan, en daar (in plaats van 8, 7, 5, 5) kunnen andere getallen staan,
zodat we ook kunnen zeggen: daar staat 'een of ander' getal. Er staat daar
bijvoorbeeld S: een som. En daar staat a + b + c + c. ... Nadat u aan de hand
van een concreet geval de overgang hebt laten zien van het getal naar de
letter, kunt u nu ook het begrip van de vermenigvuldiging verder voeren en
uit deze concrete 9 x 9 kunt u afleiden a x a. Of u kunt uit a x 2 afleiden a
x b, enzovoort. Dat zou dus de weg zijn om te komen van het rekenen met
getallen tot het rekenen met letters. En vandaar tot de
oppervlakteberekening, a x a = a². (Praktijk van het lesgeven, 13e werkbespreking,
Stuttgart, donderdag 4 september 1919). |
Dit is een manier om tot het rekenen met letters te komen. Maar in
feite is het even vanzelfsprekend om vanuit de meetkunde te vertrekken. De
vierkantsgetallen bijvoorbeeld komen de hele lagereschooltijd aan bod, dus is
het eenvoudig om daarvan te vertrekken om te komen tot a x a = a², waarbij de a elk willekeurig
getal kan zijn (bijvoorbeeld 2 x 2 = 2² of 3 x 3 = 3² enz.). Van hieruit kan
men dan komen tot opgaven als a + a = 2a. Of van 1 x 2 = 2 kan men dan komen
tot x.b = b en later: 2 x 3 = 6 of a.x = 6. Enz. |
|
731 |
Opdracht voor morgen: renteberekening, geestrijk en helder uiteengezet
voor kinderen van tien, elf jaar, met wat daarbij hoort, het omgekeerde: het
berekenen van procent, tijd en kapitaal. (Praktijk van het lesgeven, 13e
werkbespreking, Stuttgart, donderdag 4 september 1919). |
Hier geeft Steiner een opdracht om de renteberekening uiteen te zetten
voor kinderen vanaf 10 jaar. Dit lijkt me toch wat te vroeg, zeker gezien in
het licht van het rekenprogramma dat hij voorziet voor kinderen tot 9 jaar. |
|
732 |
Dus organisch overgaan naar de letterrekening tot aan de
vermenigvuldiging en van daaruit naar de oppervlakteberekening. (Praktijk
van het lesgeven, 13e werkbespreking, Stuttgart, donderdag 4 september 1919).
|
De omgekeerde weg is logischer: van de oppervlakteberekening overgaan
naar de letterrekening. |
|
733 |
De opgave was om alle getallen van 1 tot en met 100 bij elkaar op te
tellen. Gauss bedacht dat het slimmer en gemakkelijker was om dezelfde
getallen nog een keer te nemen, maar ze zich in de omgekeerde volgorde voor
te stellen. De eerste rij verloopt dan van links naar rechts: 1,2,3,4,5,,,100
en de rij daaronder omgekeerd: 100,99,98,97,96,,,1. Dan staat de 100 onder de
1, de 99 onder de 2, de 98 onder de 3. De som is telkens 101. Je moet de som
dan honderd keer nemen, dat is 10.100 en dit moet weer gehalveerd worden -
omdat je immers twee keer de getallen van 1 tot 100 hebt opgeteld - en dat
geeft 5050. (Praktijk van het lesgeven, 13e werkbespreking, Stuttgart,
donderdag 4 september 1919). |
Een mooie opgave voor de zesde klas. De uitleg kan ook op deze manier:
de getallen 0 en 100 geven als som 100, 1 en 99 geven 100, 2 en 98 is ook
100. Dit kunnen we 50 keer doen. Dat geeft 50 keer 100 = 5000. Nu tellen we
het middelste getal 50 erbij op. Uitkomst = 5050. |
|
734 |
Bij het verzinnen van rekenopgaven kan men zijn fantasie gebruiken.
Men kan tegenwoordigheid van geest oproepen door bewegingsopdrachten. … U
zegt dan: 'Ik heb een ijlbode weggestuurd met een brief. De inhoud van de
brief is echter achterhaald. Ik moet een andere bode sturen. Hoe snel moet
die vooruitkomen om nog op tijd aan te komen, voordat de brief onheil heeft
aangericht?' Het kind moet dat in ieder geval bij benadering kunnen
berekenen, dat is heel goed. (Praktijk van het lesgeven, 13e
werkbespreking, Stuttgart, donderdag 4 september 1919). |
Een goede opgave voor het 1e of 2e jaar voortgezet (middelbaar) in het
kader van de lessen geschiedenis. |
|
735 |
Methodisch moet men zo te werk gaan dat men het kind niet alleen
bezighoudt met verzonnen voorbeelden, maar dat men ook bij praktische
voorbeelden uit het leven van alledag komt. Alles moet uitmonden in de
praktijk. (Praktijk van het lesgeven, 13e werkbespreking, Stuttgart,
donderdag 4 september 1919). |
Liefst geen verzonnen voorbeelden, maar voorbeelden die aansluiten bij
de realiteit. Maar niet alles hoeft uit te monden in de praktijk, ook de
wiskunde om de wiskunde is een goed uitgangspunt. |
|
737 |
Op blz. 133 geeft Steiner nog eens aan hoe men van getallen- naar letterrekenen overgaat. Het eerste voorbeeld is vrij
eenvoudig (verschillende optellingen eerst met cijfers, dan met letters,
waarbij dezelfde cijfers vervangen worden door dezelfde letters. Het tweede
voorbeeld over de vermenigvuldiging en de deling is minder duidelijk en zeker
niet geschikt om in de klas te brengen. Zie blz 133
(Praktijk van het lesgeven). (Praktijk van het lesgeven, 14e
werkbespreking, Stuttgart, vrijdag 5 september 1919). |
Steiner maakt de overgang van het rekenen naar de algebra iets te
ingewikkeld. |
|
738 |
Pas nadat men begonnen is met het letterrekenen,
na het elfde, twaalfde jaar, gaat men over naar het machtsverheffen en
worteltrekken, omdat bij het worteltrekken het machtsverheffen van een
veelterm een rol speelt. In dit verband moet men verder behandelen de
berekening van bruto, netto, tarra en emballage. (Praktijk van het
lesgeven, 14e werkbespreking, Stuttgart, vrijdag 5 september 1919). |
Hiermee kan ik niet akkoord gaan. Het machtsverheffen en het
worteltrekken kunnen best vóór het letterrekenen
komen. Ook berekening van bruto, netto, tarra moet vóór het letterrekenen komen. |
|
739 |
Opmerking van een cursist: Machtsverheffen vóór het letterrekenen, worteltrekken erna. |
Dit is niet zo. Het kwadrateren is zeer eenvoudig af te leiden uit de
vierkantsgetallen en de oppervlakteberekening. Kwadrateren doe je in de zesde
klas (11 à 12 jaar), nog vóór het letterrekenen.
Ook het eerste principe van worteltrekken kan uit de oppervlakteberekening
afgeleid worden: je hebt de oppervlakte van een vierkant, hoe lang is dan de
zijde? Al doende, tekenend, ontdekken de kinderen de worteltrekking. Zij
leren dan dat de worteltrekking niets anders is dan het berekenen van de
zijde van een vierkant uit de oppervlakte ervan. |
|
804 |
U weet dat de gewone methodiek voorschrijft om in de eerste klas bij
voorkeur de getallen tot 100 te behandelen. Daar kan men zich ook aan houden,
want het doet er niet toe hoe ver men gaat, wanneer men maar bij de
eenvoudiger getallen blijft. De hoofdzaak is dat u binnen dat getallengebied
de rekenbewerkingen zo hanteert dat u rekening houdt met wat ik heb gezegd. U
leidt de optelling af uit de som, het aftrekken uit de rest, de
vermenigvuldiging uit het product en de deling uit het quotiënt. Het omgekeerde
dus van hetgeen gewoonlijk wordt gedaan. En pas nadat men heeft laten zien
dat 5 gelijk is aan 3 plus 2, pas dan laat men ook het omgekeerde zien: door
2 en 3 op te tellen ontstaat 5. Men moet sterke voorstellingen in het kind
oproepen, dat 5=3+2, maar ook 4+1 enzovoort. (Praktijk van het lesgeven,
2e voordracht over het leerplan, Stuttgart, zaterdag 6 september 1919). |
In de eerste klas gaan we niet tot 100 als het over de vier
hoofdbewerkingen gaat. We bouwen geleidelijk op van 5 over 10 tot 20 en
verder als het mogelijk is, maar zeker niet tot 100. In het tellen kunnen we
wél tot 100 en meer gaan. |
|
805 |
De optelling volgt dus altijd pas na het opdelen van de som; en de
aftrekking pas nadat men heeft gevraagd: wat moet ik van dit of dat getal
aftrekken om een bepaalde rest over te houden enzovoort. Zoals gezegd: het
spreekt vanzelf dat men dat in het eerste schooljaar met de meer eenvoudige
getallen doet. Of men nu gaat tot 100 of 105 of 95, dat is in feite maar
bijzaak. (Praktijk van het lesgeven, 2e voordracht over het leerplan,
Stuttgart, zaterdag 6 september 1919). |
Het is geen bijzaak om te gaan tot 100 of 105 of 95 in de eerste klas.
Het is zeer belangrijk dat het principe van de vier bewerkingen eerst goed
zit bij de berekeningen tot 20 of 24 of 25 of 30. Zelfs eerst goed oefenen
tot 5 en 10 vóór men verder gaat. |
|
806 |
Als het kind de tandwisseling achter de rug heeft, dan begint men
onmiddellijk met de tafels van vermenigvuldiging, het een-maal-een, en wat
mij betreft zelfs het een-plus-een; in ieder geval tot de 6 of 7. Het kind
dus zo vroeg mogelijk het een-maal-een en een-plus-een simpelweg uit het
hoofd laten leren, nadat men niet veel meer dan het principe heeft uitgelegd,
aan de hand van de eenvoudige vermenigvuldiging, die men zo aanpakt als we
hebben gezegd. Dus zodra men het kind het begrip van de vermenigvuldiging kan
bijbrengen draagt men het ook op om de tafels van vermenigvuldiging uit het
hoofd te leren. (Praktijk van het lesgeven, 2e voordracht over het
leerplan, Stuttgart, zaterdag 6 september 1919). |
Het uit het hoofd oefenen van de tafels en van de een-plus-een rijen
(maar oook een-min-een en een-gedeeld-door-een)
verloopt simultaan met de begrippen van optellen, aftrekken, vermenigvuldigen
en delen. Men kan dus evengoed - en soms zelfs beter - de tafels uit het
hoofd laten leren vóór het begrip van vermenigvuldiging er is. Memoriseren en
begrijpen gaan hand in hand. Het leren van getallenrijen (die voorafgaan aan
de tafelrijen) kan vanaf het begin van het eerste leerjaar gebeuren. Zowel
met materialen als zuiver ritmisch. Getallenrijen zijn bijvoorbeeld: 2 - 4 -
6 - 8 enz.; 3 - 6 - 9 - 12 enz. 5 - 10 - 15 - 20 - 25 enz. |
|
807 |
In de tweede klas breidt men de rekenbewerkingen uit tot een groter
getallengebied. Men probeert eenvoudige sommen ook te behandelen zonder ze op
te schrijven, uit het hoofd, mondeling. Men probeert het rekenen met
onbenoemde getallen zo mogelijk eerst te ontwikkelen aan dingen - ik heb u
immers gezegd hoe u aan de hand van bonen of wat dan ook de onbenoemde
getallen kunt ontwikkelen. Maar men moet toch ook het rekenen met benoemde
getallen niet uit het oog verliezen. (Praktijk van het lesgeven, 2e
voordracht over het leerplan, Stuttgart, zaterdag 6 september 1919). |
De rekenbewerkingen uitbreiden tot een groter getallengebied is
vanzelfsprekend. Maar waarom geeft Steiner niet aan tot - desnoods ongeveer -
welk getal? |
|
808 |
In de derde klas wordt alles voortgezet met ingewikkeldere getallen,
en de vier rekenbewerkingen zoals die in de tweede klas behandeld werden
worden nu toegepast op bepaalde eenvoudige dingen uit het praktische leven. (Praktijk
van het lesgeven, 2e voordracht over het leerplan, Stuttgart, zaterdag 6
september 1919). |
Wat bedoelt Steiner met ingewikkeldere getallen? Getallen bestaande
uit meer dan twee cijfers? Getallen met een komma? Steiner blijft opvallend
vaag hierover. |
|
809 |
In de vierde klas gaat men door met wat er in de eerste klassen is
behandeld. Maar nu moeten we overgaan tot de breuken en met name de decimale
breuken. (Praktijk van het lesgeven, 2e voordracht over het leerplan,
Stuttgart, zaterdag 6 september 1919). |
Steiner laat de breuken zeer laat aan bod komen, te laat naar mijn
mening. De overgang naar breuken moet ten laatste in de 3e klas gebeuren. De
decimale breuken komen volop in de 4e klas aan bod. Decimale breuken komen
spontaan aan bod bij het metend rekenen in de 3e klas. |
|
810 |
in de vijfde klas gaan we door met breuken en decimale breuken. Het
kind leert nu alles waardoor het in staat is vrij te rekenen met hele
getallen, breuken en decimalen. (Praktijk van het lesgeven, 2e voordracht over
het leerplan, Stuttgart, zaterdag 6 september 1919). |
Zo hoort het. |
|
811 |
In de zesde klas behandelt men dan het berekenen van rente, procenten,
van disconto en eenvoudige wissels en legt men daarmee de basis voor het letterrekenen, zoals we hebben laten zien. (Praktijk
van het lesgeven, 2e voordracht over het leerplan, Stuttgart, zaterdag 6
september 1919). |
Rente en procenten zijn perfect aan de orde in de 6e klas. Disconto en
wissels zou ik in de 6e klas niet ter sprake brengen omdat ze meer in de
schaduw van het economische leven te vinden zijn, wat in Steiners tijd minder
het geval was, toen waren deze zaken nog meer openbaar. |
|
814 |
In de zevende klas probeert men de kinderen, na de overgang naar het letterrekenen, machtsverheffen en worteltrekken bij te
brengen, ook het rekenen met wat men noemt positieve en negatieve getallen.
En in de allereerste plaats probeert men de kinderen vertrouwd te maken met
datgene wat de leer van de vergelijkingen genoemd kan worden, in samenhang
met een vrije toepassing op het praktische leven. (Praktijk van het
lesgeven, 2e voordracht over het leerplan, Stuttgart, zaterdag 6 september
1919). |
Dit is nog steeds zo, behalve de machtsverheffing en de kennismaking
met de worteltrekking: die gebeuren al in de 6e klas. |
|
815 |
Alles wat dan komt kijken bij die vergelijkingen, dat zet men voort in
de achtste klas, zo ver men kan komen, en men voegt eraan toe de berekening
van figuren en oppervlakten en de leer van de geometrische plaats, die we
gisteren even hebben aangestipt. (Praktijk van het lesgeven, 2e voordracht
over het leerplan, Stuttgart, zaterdag 6 september 1919). |
Berekening van oppervlakten moeten véél eerder aan bod komen. Ten
laatste in de zesde klas. |
|
930 |
1e en 2e klas: spellend lezen, schrijven, tekenen, eerste beginselen
van het rekenen. Zingen, muziek, euritmie, Engels en Frans. (R. Steiner op 25
april 1919 in gesprek met Emil Molt, E.A.Karl Stockmeyer en Herbert Hahn over
het leerplan van de Unterrealschule (Oostenrijks
schoolmodel tot 16 jaar) (Hans Rudolf Niederhäuser). (Wortels van de vrijeschoolbeweging. Paidos, Rotterdam 2001). |
Zeker niet spellend lezen. En méér dan de eerste beginselen van het
rekenen: de vier rekenbewerkingen moeten uitgebreid aan bod komen. |
|
931 |
3e en 4e klas: Lezen, grammatica (behandeling van de verschillende
taalvormen). Iets over de kleuren. Zingen, muziek en euritmie worden
voortgezet. Tafels van vermenigvuldiging uit het hoofd. Optellen en aftrekken
(tot 100). Behandeling van enkele planten en dieren naar keuze. (R. Steiner
op 25 april 1919 in gesprek met Emil Molt, E.A.Karl
Stockmeyer en Herbert Hahn
over het leerplan van de Unterrealschule
(Oostenrijks schoolmodel tot 16 jaar)
(Hans Rudolf Niederhäuser). (Wortels van
de vrijeschoolbeweging. Paidos, Rotterdam 2001). |
Grammatica kan vanaf eind 2e klas op voorwaarde dat het zeer beeldend
is (cfr. de woordsoorten). |
|
934 |
8e klas: ambachten. Wat op planten betrekking heeft. Meteorologie,
aardrijkskunde, elementen uit de geschiedenis: Indische, Perzische,
Egyptisch-Chaldeeuwse en Griekse cultuur. De nachristelijke
tijd. Meetkundige begrippen ontwikkelen aan de hand van het tekenen.
Handelsrekenen. Boekhouden. Perspectief tekenen. Inleiding in de algebra.
Astronomie tot aan het systeem van Copernicus. Later: technisch tekenen:
plattegronden, kaarten. Vergelijkingen. Kegelsneden. Beschrijvende meetkunde,
nivelleren (landmeten), architectuur. - Chemische-technische begrippen.
Wereldbeschouwelijk onderwijs: de mens naar lichaam, ziel en geest. EHBO. (R.
Steiner op 25 april 1919 in gesprek met Emil Molt, E.A.Karl
Stockmeyer en Herbert Hahn
over het leerplan van de Unterrealschule
(Oostenrijks schoolmodel tot 16 jaar)
(Hans Rudolf Niederhäuser). (Wortels van
de vrijeschoolbeweging. Paidos, Rotterdam 2001). |
Achtste klas (2e voortgezet - 2e middelbaar): Plantkunde moet absoluut
aan bod komen, meteorologie ook. Aardrijkskunde is absoluut een noodzaak (ter
vergelijking: in het huidige steinerleerplan wordt
er te weinig aardrijkskunde voorzien). Geschiedenis heeft Steiner op andere
plaatsen meer in detail vastgelegd, maar naar mijn mening te eenzijdig voor
elke klas. Ook voor de andere vakken die hier genoemd worden is het duidelijk
dat Steiner nog geen klaar beeld had van wat in welke klas aan bod moest
komen. Het wereldbeschouwelijk onderwijs is hier eenzijdig antroposofisch
gericht (lichaam, ziel, geest) wat in tegenspraak is met de andere uitspraak
van Steiner dat de school geen antroposofisch onderricht mag geven. |
|
935 |
Dat de lessen op een vrijeschool in de vorm van perioden worden
gegeven, dat in de ochtend meer de vakken worden gegeven die een appel op de
hoofdkrachten doen en 's middags meer de kunstzinnige vakken, dat bij de vier
hoofdbewerkingen bij het rekenen van het geheel wordt uitgegaan en dat die
zowel op een analytische als een synthetische manier worden geoefend, dat ook
de jongens breien en naaien en de meisjes aan de technologielessen deelnemen
- al deze bijzonderheden van de vrijeschoolpedagogie lijken als eenvoudige
gegevenheden voor zichzelf te spreken en het zou toch niet moeilijk geweest
moeten zijn om die te bedenken. Zij zijn het resultaat van jarenlang
geesteswetenschappelijk onderzoek
(Hans Rudolf Niederhäuser).(Wortels van
de vrijeschoolbeweging. Paidos, Rotterdam 2001). |
Of het aan het geesteswetenschappelijk onderzoek van Steiner lag of
aan zijn gezond verstand laat ik in het midden. De opdeling in ochtend- en
namiddagvakken is wel zeer gunstig voor de ontwikkeling van de kinderen. Toch
mag er - zeker voor de wat oudere kinderen (middelbaar - voortgezet
onderwijs) - van deze regel afgeweken worden als het niet anders kan. |
|
956 |
En bovendien was hij door hun hele lichaam gegaan, want hun kleine
voetjes en handjes waren bij het vangen van de rozen minstens zo in beweging
gekomen als hun hoofden (Rudolf Steiner oefende de tafel van 3 in de eerste
klas) (Bettina Mellinger). (Wortels van de
vrijeschoolbeweging. Paidos, Rotterdam 2001). |
Dit is, lijkt me, nogal vanzelfsprekend. Als een kind iets moet
opvangen zijn hoofd en ledematen zeer actief. Dat geldt ook voor volwassenen,
maar evengoed voor dieren. |
|
1195 |
Al vroeg bezit het kind aanleg voor de eerste beginselen van de
rekenkunst. Maar juist bij de rekenkunst kan men zien hoe het kind maar al te
gemakkelijk te vroeg geconfronteerd wordt met een intellectualistisch
element. Rekenen als zodanig is geen mens van welke leeftijd dan ook helemaal
vreemd. Het rekenen ontwikkelt zich vanuit de menselijke natuur en er kan
nooit een zo groot gebrek aan verwantschap optreden tussen de menselijke
mogelijkheden en de rekenhandelingen als tussen die mogelijkheden en de letters,
die een culturele zaak zijn. (Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst.
Zeist 1977, ISBN 90 6038 084.3, 5e voordracht, Oxford, maandag 21 augustus 1922). |
Het is inderdaad zo dat een kind aanleg heeft voor rekenen. Het
intellectualistisch element is vanzelfsprekend, maar het mag gecombineerd
worden met het beeldende, het fantasierijke, al blijft het
intellectualistische steeds op de voorgrond. Letters (en lezen en schrijven
zoals ik veronderstel dat Steiner hier bedoelt) zijn inderdaad meer cultureel
gebonden. |
|
1196 |
Maar toch is het juist heel belangrijk dat het kind het rekenonderwijs
op de juiste wijze krijgt aangeboden. In de grond van de zaak kan dat alleen
beoordeeld worden door wie vanuit een zekere geestelijke grondslag het
volledige menselijke leven kan overzien. (Geestelijke grondslagen voor de
opvoedkunst. Zeist 1977, ISBN 90 6038 084.3, 5e voordracht, Oxford, maandag 21 augustus 1922). |
Het rekenonderwijs op de juiste wijze aangeboden krijgen: daarmee
bedoelt Steiner - denk ik - het analytische rekenen: vanuit de uitkomst naar
de termen. Maar simultaan met de analyse moet ook de synthese aangeboden
worden. Dat men dit alleen kan beoordelen vanuit een zekere geestelijke
grondslag is natuurlijk een referentie aan de antroposofie, maar het kan ook
perfect vanuit andere meer praktische gezichtspunten. |
|
1197 |
Er zijn twee dingen die logisch gezien niets met elkaar te maken
lijken te hebben: rekenonderwijs en morele beginselen. Men verbindt het
rekenonderwijs gewoonlijk in het geheel niet met morele beginselen, omdat men
niet direct daartussen een logische samenhang ontdekt. Maar voor wie niet
slechts de logica laat gelden doch vanuit de volheid van het leven de dingen
beziet, ligt de zaak anders. Een kind dat op de juiste wijze met het rekenen
in aanraking is gebracht zal op latere leeftijd een heel ander moreel
verantwoordelijkheidsgevoel bezitten, dan een kind dat niet op de juiste
wijze met het rekenen heeft kennisgemaakt. (Geestelijke grondslagen voor
de opvoedkunst. Zeist 1977, ISBN 90 6038 084.3, 5e voordracht, Oxford, maandag 21 augustus 1922). |
Dit geldt vooral voor de optelling, waarbij men - om de morele kant
van het rekenen te ervaren - vertrekt vanuit de som om zo naar de termen te
gaan. Optellen is daardoor een vorm van delen wat in tegenstelling staat tot
het steeds maar samenvoegen om tot de som te komen. Het eerste staat in
verband met delen en geven; het andere lijkt meer op bezitten en graaien. |
|
1198 |
Wanneer wij namelijk als mens de kunst verstaan hadden de menselijke
ziel in de afgelopen decennia op de juiste manier in het rekenonderwijs zich
te laten verdiepen dan was er nu geen bolsjewisme geweest in Oost-Europa. Dat
is wat er als resultaat innerlijk te zien is: met welke kracht het vermogen
dat in het rekenen innerlijk te zien is: met welke kracht het vermogen dat in
het rekenen zich manifesteert zich verbindt met datgene wat ook het morele in
de mens beheerst. (Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst. Zeist
1977, ISBN 90 6038 084.3, 5e voordracht,
Oxford, maandag 21 augustus 1922). |
Een typische Steineruitspraak waarvoor geen enkel bewijs te leveren
is. |
|
1199 |
Nu zult u mij misschien nog beter begrijpen als ik u iets van de
beginselen van het rekenonderwijs voorleg. Het rekenen gaat er tegenwoordig
toch vaak van uit dat wij er allereerst mee beginnen iets anders toe te
voegen. Bedenkt u eens wat voor een vreemde bezigheid het is voor de
menselijke ziel, dat men een erwt aan de andere toevoegt, en er dan elke keer
als er iets aan is toegevoegd weer een andere naam geeft. Die overgang van
één naar twee en dan weer naar drie, dat tellen is immers geen bezigheid die zich
in de mens volkomen willekeurig voltrekt. Maar het is ook mogelijk om op een
andere manier te tellen. (Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst.
Zeist 1977, ISBN 90 6038 084.3, 5e voordracht, Oxford, maandag 21 augustus 1922). |
Steiner legt hier veel te sterk de nadruk op het feit dat elk getal
een eigen naam krijgt. Tellen is echter inherent aan de mens. En bij het
tellen heb je nu eenmaal woorden (benamingen) nodig. Men kan inderdaad op een
andere manier tellen, door bijvoorbeeld uit te gaan van gehelen en die
vervolgens onder te verdelen, maar zelfs dan heeft men woorden nodig en zal
elke onderverdeling een ander woord opleveren. Zie ook uitspraken 1200, 1201,
1202, 1203, 1204, 1205, 1206, 1207. |
|
1200 |
Die mogelijkheid ontdekken wij als wij wat teruggaan in de menselijke
cultuurgeschiedenis. Want oorspronkelijk werd er helemaal niet zo geteld dat
men de ene erwt bij de andere legde. Men voegde niet een eenheid bij een
andere eenheid, waardoor iets nieuws ontstond, dat, althans voor het
zielenleven, weinig of niets met het voorafgaande te maken had. Men zei:
alles in het leven is altijd een geheel, dat men ook als geheel dient op te
vatten, en zelfs het meest heterogene kan een eenheid vormen. (Geestelijke
grondslagen voor de opvoedkunst. Zeist 1977, ISBN 90 6038 084.3, 5e
voordracht, Oxford, maandag 21 augustus 1922). |
In tegenspraak hiermee is dat het rekenen ontstaan is uit het tellen van
hoeveelheden. Dus tóch het samenvoegen van eenheden. Zie ook uitspraken 1199,
1200, 1201, 1202, 1203, 1204, 1205, 1206, 1207. |
|
1201 |
Als ik een mensenmenigte voor mij heb, is die toch in de eerste plaats
een geheel. En als ik een enkele mens voor mij heb dan is dat ook een
eenheid. De eenheid is in de grond van de zaak iets zeer betrekkelijks. Daar
houd ik rekening mee als ik niet tel van een, twee, drie, vier enzovoort,
maar als ik op de volgende manier tel: (RSt stelt
een lijn voor en noemt die 1; eenzelfde lijn in 2 verdeeld = 2; eenzelfde
lijn in 3 verdeeld = 3. de lijnen zijn even lang en staan naast elkaar
getekend) enzovoort, als ik een geleding aanbreng in het geheel, als ik dus
van de eenheid uitga en in de eenheid als in een veelvoud de delen zoek.
(Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst. Zeist 1977, ISBN 90 6038 084.3,
5e voordracht, Oxford, maandag 21 augustus 1922). |
Dit is het begin van breuken. In de oudheid zijn er bewijzen te over
dat men voor bepaalde zaken eerder ging verdelen dan samenvoegen. Een grote
hoeveelheid (eenheid) ging men opdelen. Maar tegelijkertijd werd er ook
gewoon samengevoegd: eenheid per eenheid. Zie ook uitspraken 1199, 1200,
1202, 1203, 1204, 1205, 1206, 1207. |
|
1202 |
Dat is ook de manier waarop oorspronkelijk het tellen beschouwd werd.
De eenheid was altijd het totaal, en binnen die eenheid zocht men pas de
getallen. Men stelde zich de getallen niet voor als ontstaan uit één, waar
één werd bijgevoegd, maar men stelde zich de getallen voor als zijnde binnen
een eenheid, en uit die eenheid organisch naar voren tredend. (Geestelijke
grondslagen voor de opvoedkunst. Zeist 1977, ISBN 90 6038 084.3, 5e
voordracht, Oxford, maandag 21
augustus 1922). |
Beide systemen bestonden naast elkaar. Het samenvoegen berustte
meestal op het decimale stelsel (tientallig - gebaseerd op het aantal
vingers). Ging men uit van het geheel dan gebruikte men meestal het
twaalftallig stelsel (of zestigtallig) omdat er
veel meer verdeelmogelijkheden waren. Zie ook uitspraken 1199, 1200, 1201,
1203, 1204, 1205, 1206, 1207. |
|
1203 |
Dat levert, toegepast op het hele rekenonderwijs het volgende op: in
plaats van het kind erwt na erwt voor te leggen geeft u het een bepaalde
hoeveelheid erwten tegelijk (RSt tekent dit). Die hoeveelheid
erwten is het geheel. Daar gaat men vanuit. En dan behandelt u ongeveer het
volgende met het kind: Ik heb hier een aantal erwten, of laten we zeggen,
opdat het voor het kind (voor zijn gevoel) aanschouwelijk wordt, een aantal
appelen en drie kinderen; drie kinderen misschien van verschillende leeftijd,
waarvan de een meer moet eten dan de ander, en we willen dan iets doen, wat
met het leven samenhangt. Wat kunnen we nu doen? Wel, we kunnen die appelen
op een bepaalde manier verdelen en dan die hele verzameling appelen als som
bekijken, die gelijk is aan de afzonderlijke delen, waarin we die hebben
opgedeeld. We hebben daar dat stel appelen, en we zeggen: er zijn drie delen,
en we brengen op die manier het kind bij dat de som gelijk is aan de drie
delen. (Tekening 12 stippen in een cirkel. Die
zijn verdeeld met gebogen lijnen in een groep van 3, een groep van 4 en een
groep van 5 stippen). (Geestelijke
grondslagen voor de opvoedkunst. Zeist 1977 ISBN 90 6038 084.3, 5e
voordracht, Oxford, maandag 21
augustus 1922). |
Dit is een goed principe om te doen in de klas, waarbij men zowel deze
analytische benadering gebruikt, maar tegelijk ook de synthetiserende methode
hanteert, waarbij de eenhden samengevoegd worden
tot een geheel. Zie ook uitspraken 1199, 1200, 1201, 1202, 1204, 1205, 1206,
1207. |
|
1204 |
De som = drie delen. Dat wil zeggen, we gaan bij het optellen niet uit
van de afzonderlijke delen, en vinden daarna de som, maar we nemen eerst de
som, en gaan dan over naar de delen. Zo gaan we van het geheel uit en komen
dan tot de optelling en de delen daarvan, om op die manier een levendig
begrip van de optelling te krijgen. Want hetgeen waarop het bij de optelling
aankomt, is altijd de som en de delen, de delen zijn hetgeen in de som altijd
op een bepaalde manier aanwezig moet zijn. (Geestelijke grondslagen voor
de opvoedkunst. Zeist 1977 ISBN 90 6038 084.3, 5e voordracht, Oxford, maandag
21 augustus 1922). |
Zowel van de som naar de delen als andersom moeten tegelijk aan bod
komen. Zie ook uitspraken 1199, 1200, 1201, 1202, 1203, 1205, 1206, 1207. |
|
1205 |
Op die manier is men in de gelegenheid het kind op een zodanige wijze
tot het leven te voeren dat het zich eraan went, door gehelen te omvatten,
niet altijd van het weinige naar het meer te gaan. En dat oefent een
buitengewoon sterke invloed uit op het gehele zielenleven van het kind. Als
het kind eraan gewend wordt te tellen door toe te voegen dan ontstaat nu net
die morele aanleg die een hang zal doen ontstaan naar de begeerte. Als van
het geheel naar de delen wordt overgegaan en als ook in een overeenkomstige
vorm het vermenigvuldigen wordt aangeleerd, wordt het kind geneigd de
begeerte niet zo sterk te ontwikkelen, maar ontwikkelt het datgene wat in de
zin van de Platonische wereldbeschouwing genoemd kan worden de bezonnenheid,
de matigheid in de meest edele zin van het woord. (Geestelijke grondslagen
voor de opvoedkunst. Zeist 1977 ISBN 90 6038 084.3, 5e voordracht, Oxford,
maandag 21 augustus 1922). |
Dit is een goed en gezond principe, maar men mag de andere weg (van de
delen naar de som) niet uit het oog verliezen, want als het om rekenen gaat,
is dat laatste zelfs belangrijker. Zie ook uitspraken 1199, 1200, 1201, 1202,
1203, 1204, 1206, 1207. |
|
1206 |
Hetgeen iemand moreel gezien bevalt en mishaagt hangt op de nauwste
wijze samen met de manier waarop hij met de getallen heeft leren omgaan.
Tussen de omgang met de getallen en de morele ideeën, morele impulsen, lijkt
op het eerste gezicht geen logische samenhang te bestaan. Zo weinig is dat
zelfs het geval dat wie slechts intellectualistisch denken wil, honend kan
reageren wanneer men daarover spreekt. Het kan hem belachelijk voorkomen. Het
is ook heel goed te begrijpen dat iemand er om lachen kan dat men bij het
optellen van de som uitgaat en niet van de delen. (Geestelijke grondslagen
voor de opvoedkunst. Zeist 1977 ISBN 90 6038 084.3, 5e voordracht, Oxford,
maandag 21 augustus 1922). |
Het is niet moeilijk om het morele van deze werkwijze te begrijpen.
Maar om tot rekenen te komen is het niet de aangewezen weg. Deze analytische
weg is nodig, de andere (synthetiserende) ook. Zie ook uitspraken 1199, 1200,
1201, 1202, 1203, 1204, 1205, 1207. |
|
1207 |
Zo is wat er gaat werken in de kinderlijke ziel door het omgaan met de
getallen van zeer groot belang voor de manier waarop het kind ons tegemoettreedt als wij het morele beelden voor de ziel
willen brengen. Morele beelden, waaraan het behagen of misnoegen, antipathie
of sympathie ten opzichte van het goede of het kwade moet ontwikkelen. Wij
zullen een kind aantreffen dat ontvankelijk is voor het goede wanneer wij het
kind op adequate wijze geleerd hebben met de getallen om te gaan.
(Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst. Zeist 1977, ISBN 90 6038 084.3,
5e voordracht, Oxford, maandag 21 augustus 1922). |
Ik heb er geen moeite mee om het morele van de som naar de delen aan
te wenden, maar om dit zo sterk te stellen en het rekenen daardoor in dienst
te stellen van de morele opvoeding, daarvoor pas ik, want dan ligt de
klemtoon te sterk op de morele opvoeding en niet meer op het leren rekenen.
Zie ook uitspraken 1199, 1200, 1201, 1202, 1203, 1204, 1205, 1206. |
|
1981 |
Een uitzonderingspositie in onderwijs en opvoeding hebben rekenen,
rekenkunde en geometrie, dus het mathematische. (Opvoeding en moderne
cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14
augustus 1923). |
Omdat het inherent is aan de mens? Of omdat er een morele opvoeding
mee te bereiken is zoals Steiner in voorgaande uitspraken tracht duidelijk te
maken? Zie ook uitspraken 1199, 1200, 1201, 1202, 1203, 1204, 1205, 1206,
1207. Zie ook uitspraak 1986. |
|
1986 |
Wanneer we nu het kind bijvoorbeeld iets bijbrengen van rekenen of geometrie,
of uit die gebieden die ik gisteren aangehaald heb als tekenend schilderen,
schilderend tekenen, als overgang naar het schrijven, dan wordt door dit
onderwijs het fysieke lichaam en etherlichaam beïnvloed. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Een typische Steineruitspraak passend in zijn
theosofisch-antroposofisch mensbeeld en op geen enkel andere manier te
verifiëren. |
|
1987 |
En als we het ether- of vormkrachtenlichaam datgene bijbrengen wat ik
gisteren hier geschetst heb, als we het iets bijbrengen van rekenen of
geometrie, dan houdt het kind dat vast ook tijdens de slaap, dan vibreert het
ook tijdens de slaap verder. (Opvoeding
en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley,
dinsdag 14 augustus 1923). |
Zie de opmerking bij nr. 1986 |
|
1994 |
Rekenen, geometrie spreekt tot beide; dat is het merkwaardige. En
daarom is met betrekking tot het onderwijs en de opvoeding zowel rekenen als
geometrie, je zou willen zeggen, net als een kameleon; ze passen zich door
hun eigen wezen aan de totale mens aan.
(Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e
voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Zie de opmerking bij nr. 1986 |
|
1995 |
En terwijl je bij plantkunde, dierkunde er rekening mee moet houden
dat die in een bepaalde gestalte, zoals ik dat gisteren heb gekarakteriseerd,
in een zeer bepaalde leeftijd vallen, moet je bij rekenen en geometrie erop
letten dat die gedurende de hele kindertijd heen worden beoefend, maar
adequaat worden veranderd, al naar gelang de leeftijd zijn karakteristieke
eigenschappen verandert. (Opvoeding
en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley,
dinsdag 14 augustus 1923). |
Rekenen moet dagelijks aan bod komen. Zie verder de opmerking bij nr.
1986 |
|
1998 |
En zo is het feitelijk waar dat ons vormkrachtenlichaam van het
inslapen tot het wakker worden dat wat we hem als rekenen bijgebracht hebben
bovenzinnelijk doorgaat met rekenen. (Opvoeding
en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley,
dinsdag 14 augustus 1923). |
Het vormkrachtenlichaam is hetzelfde als het etherlichaam. Zie de
opmerking bij nr. 1986 |
|
1999 |
We zitten helemaal niet in ons fysieke en etherlichaam wanneer we
slapen; maar die gaan door met rekenen, die tekenen bovenzinnelijk verder aan
hun geometrische figuren, vervolmaken ze. En als we dat weten en het hele
onderwijs daarop inrichten, dan krijgen we door een juist geaard onderwijs
een geweldige levendigheid in het hele weven en leven van de mens. We moeten
alleen op passende wijze dit ether- of vormkrachtenlichaam gelegenheid geven
de dingen die we hem bijbrengen, verder te vervolmaken. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Zie de opmerking bij nr. 1986 |
|
2012 |
U ziet daar tegelijkertijd een uitbreiding van deze hele denkwijze op het
natuurwetenschappelijke. En hoewel het meestal betrekking heeft op de hogere
gedeelten van de wiskunde zal het, als je in zijn geest doordringt, een
uitstekende leidraad zijn om het onderwijs op dit gebied te kunnen verzorgen
in een richting die in overeenstemming is met de menselijke organisatie. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Zie de opmerking bij nr. 1986. Steiner ziet zijn antroposofie als een
wetenschappelijke uitbreiding van de natuurwetenschappen. Helaas kunnen zijn
geesteswetenschappelijke uitspraken op geen enkele manier bewezen worden. Van
wetenschap kan er dus geen sprake zijn en moeten we uiterst voorzichtig
omgaan met zijn uitspraken. |
|
2013 |
Met dit boekje is gewoon een soort uitgangspunt geschapen voor een
hervorming van het wis- en natuurkundeonderwijs vanaf de eerste
kinderleeftijd tot aan de hoogste niveaus van het onderwijs. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Het gaat over een boekje van Dr. Von Baravalle
over rekenen en natuurkunde in het onderwijs. |
|
2014 |
Je moet dat wat hier met betrekking op het aanschouwelijk-ruimtelijke
is gezegd, nu ook kunnen uitbreiden naar het rekenkundige. Daar gaat het met
name erom dat alles wat op uiterlijke wijze het kind vertrouwd maakt met het
rekenen en ook het tellen, eigenlijk de menselijke organisatie doodt. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Zie de opmerking bij nr. 1986 |
|
2015 |
Alles wat van eenheden uitgaat, stuk aan stuk rijgt, dat doodt de
menselijke organisatie. Datgene wat van het geheel uitgaat naar de delen,
eerst de voorstelling van het geheel oproept, vervolgens die van de delen,
dat brengt leven in de menselijke organisatie. Dat is iets wat al bij het
tellen in aanmerking komt. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923) |
Zie de opmerking bij nr. 1986 |
|
2016 |
We leren de getallen doorgaans doordat we ons vasthouden aan het
geheel uiterlijke, zich in het fysiek-zintuiglijke leven afspelende leven. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Wat ook logisch is. |
|
2017 |
We leren tellen doordat we één hebben: die noemen we de eenheid. Dan
voegen we daar twee, drie, vier enzovoort aan toe, we leggen erwt bij erwt en
er is helemaal geen voorstelling, geen idee waarom de ene bij de andere
gelegd wordt, wat daar eigenlijk uit ontstaat. Je leert tellen doordat aan de
willekeur van het naast elkaar leggen wordt geappelleerd. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Zo is het nu eenmaal. |
|
2018 |
Ik weet wel dat deze willekeur op velerlei wijze wordt gevarieerd,
alleen met datgene waar het om gaat, wordt tegenwoordig nog maar in de allergeringste mate rekening gehouden: dat van een geheel
uitgegaan wordt en naar de delen, onderdelen verdergegaan wordt. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
De analyse wordt tegenwoordig blijkbaar uit het oog verloren. Alles is
synthetiserend. Maar beide gaan voortdurend hand in hand. |
|
2019 |
De eenheid is wat als eerste voorgesteld moet worden ook door het kind
als een geheel. Alles wat er ook maar is, is een eenheid. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Alles is fenomenologisch beschouwd een geheel. Elk ding doet zich aan
de waarnemer voor als een geheel. Maar elk geheel bestaat ook uit onderdelen.
Ieder mens, ook het kind, gaat spontaan ontleden, dus analyseren. |
|
2020 |
Welnu, als je genoodzaakt bent om de zaak door te tekenen te laten
zien, moet je een lijn uittekenen; je kunt ook een appel gebruiken om
hetzelfde te doen wat ik nu met de lijn zal doen. Daar is één en nu ga je van
het geheel naar de delen, en nu heb ik uit één een twee gemaakt. (tekening: 3 even lange lijnen onder elkaar. Bij de bovenste staat het
cijfer 1. Bij de middelste het cijfer 2 (deze lijn is in 2 gedeeld), bij de
onderste staat 3 (in 3 delen gedeeld)). De
eenheid is blijven bestaan. De eenheid is in tweeën gedeeld, daardoor is de
twee ontstaan. (Opvoeding en
moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag
14 augustus 1923). |
Dit is een aanzet om tot breuken te komen, maar niet om tot optellen
enz. te komen. |
|
2021 |
Nu ga je verder, er ontstaat door verdere deling de drie. De eenheid
blijft steeds als het allesomvattende bestaan; en zo ga je verder door met
vier, vijf en je kunt tegelijk met andere middelen een voorstelling oproepen
hoe ver je de dingen bijeen kunt houden die op de getallen betrekking hebben.
Je zult daarbij ontdekken dat de mens eigenlijk met betrekking tot het
aanschouwelijke van het getal beperkt is.
(Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e
voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Dat is niet zo. Men kan steeds verder opdelen, analyseren. |
|
2022 |
Bij bepaalde volkeren van de moderne civilisatie wordt eigenlijk
alleen het overzichtelijke getalsbegrip tot tien omvat; hier in Engeland kan
men in het geld tot twaalf rekenen. Maar dat is ook iets wat wel het hoogste
vertegenwoordigt dat je kunt overzien. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Het zestigtallig stelsel was toch ook
overzichtelijk en sluit nauw aan bij het twaalftallig stelsel. |
|
2023 |
Dan begin je toch eigenlijk weer opnieuw, dan tel je eigenlijk de
getallen; je telt eerst de dingen tot tien, maar dan begin je de tien te
tellen: tweemaal tien = twintig, driemaal tien = dertig. Je refereert daar al
helemaal niet meer naar de dingen, maar je gaat ertoe over het getal zelf op
het rekenen toe te passen, terwijl het elementaire begrijpen de dingen zelf
wel als iets aanschouwelijks wil zien.
(Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e
voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Hier begint het rekenen. En komen we los van het tellen. |
|
2024 |
Wij tellen tot tien omdat we de delen voelen, de geleding van de handen,
die erin gelegen is dat we de handen, de tien vingers als symmetrisch
ervaren. Deze ervaring is daarmee overeenkomend ook er uitgehaald, is
beleefd, en je moet in het kind de overgang tevoorschijn roepen van het
geheel, de eenheid naar de delen als getal.
(Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e
voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Dat is één weg. De andere weg, simultaan verlopend met de eerste, is
van termen naar de som gaan. |
|
2025 |
Dan zul je gemakkelijk die andere overgang naar het tellen kunnen
vinden doordat je het ene naast het andere legt. Je kunt vervolgens overgaan
naar één, twee, drie enzovoort. (Opvoeding
en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley,
dinsdag 14 augustus 1923). |
Zie opmerking bij nr. 2024 |
|
2026 |
Dus het zuiver additieve tellen, dat is iets wat pas in tweede
instantie mag komen. Want dat is een activiteit die enkel en alleen hier in
de fysieke ruimte betekenis heeft, terwijl het onderverdelen van de eenheid
een zodanige innerlijke betekenis heeft dat die weer in het etherlichaam
verder vibreert, ook wanneer de mens daar niet bij is. Het komt erop aan dat
je deze dingen weet. (Opvoeding en
moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag
14 augustus 1923). |
Zie de opmerking bij nr. 1986. Het is wel zo dat het additieve tellen
op de tweede plaats komt, maar het moet tegelijk met het tegenovergestelde
gebeuren (van het geheel naar de delen). |
|
2027 |
Net zo gaat het erom dat, wanneer we het tellen op deze wijze
overwonnen hebben, we nu niet levenloos mechanisch tot addieren,
tot optellen overgaan, waar we dan het op te tellen getal, addendum aan
addendum rijgen. (Opvoeding en
moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag
14 augustus 1923). |
Ook het toevoegen van eenheden kan levendig gebeuren. Het hoeft zeker
niet levenloos mechanisch te zijn. Steiner focust te eenzijdig op het
analytische bij het optellen en geeft dat te veel waarde ten opzichte van het
synthetiserende. Beide moeten voortdurend aan bod komen en hebben beide hun
waarde. |
|
2028 |
Het levendige komt in de zaak binnen als we niet van de delen van de
optelling uitgaan, maar van de som. (Opvoeding
en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley,
dinsdag 14 augustus 1923). |
Zie de opmerking bij nr. 2027 |
|
2029 |
Als we dus een aantal dingen, laten we zeggen, een aantal bolletjes
neergooien - welnu, in het tellen zijn we zo ver dat we kunnen zeggen dat het
veertien bolletjes zijn. Nu verdeel ik dit onder, doordat ik het begrip van
het gedeelte voortzet. Ik heb hier vijf, hier vier, hier weer vijf; zodat ik
het totaal uiteen gegooid heb in vijf, vier, vijf. Ik ga dus over van het
totaal naar de addenda, van het geheel naar de delen. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Dit is een goede werkwijze, maar nadien komt toch het samenvoegen aan
bod. Tegelijkertijd kunnen we ook een aantal dingen neergooien waarvan we op
voorhand niet weten hoeveel dingen er zijn. Ook dan gaan we van de delen naar
het geheel en voegen we samen om tot het geheel te komen. Wat Steiner
benadrukt is dat we op voorhand de hoeveelheid kennen, maar om die te kennen
hebben we ze dus wel eerst moeten tellen. Het synthetiseren ging dus vooraf
aan de analyse. |
|
2030 |
En ik probeer bij het kind zo te werk te gaan dat ik steeds het geheel,
de som in zekere zin neerzet en het kind erop laat komen hoe de som zich kan
delen in de afzonderlijke addenda. (tekening
van 14 bolletjes, met daartussen lijnen die ze opdelen in 5-5-4). (Opvoeding en moderne
cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14
augustus 1923). |
Zie opmerking bij nr. 2029 |
|
2031 |
Dus is het buitengewoon belangrijk dat je, zoals je de paarden bij het
rijden niet bij de staart maar bij het hoofd optuigt, zielsmatig precies zo
met het rekenen te werk gaat; dat je daadwerkelijk van de som, die eigenlijk
in alles steeds is gegeven, van het geheel uitgaat: dat is het reële. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Zie opmerking bij nr. 2029 |
|
2032 |
Veertien appels, dat is het reële - niet de addenda zijn het reële;
die verdelen zich naar de levensomstandigheden op de meest uiteenlopende
wijze. Je gaat dus uit van dat wat altijd het geheel is, en je gaat over naar
de delen. Dan zul je de weg weer terugvinden naar het normale optellen. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923). |
Zie opmerking bij nr. 2029 |
|
2033 |
Maar je hebt, als je zo te werk gaat, als je van het heel levendige
overgaat naar het delen, bereikt dat datgene wat ten grondslag ligt aan het
rekenen, het vormkrachtenlichaam, dat nu eenmaal een levendige stimulering
wil krijgen om te vormen, in vibraties omgezet, die het vervolgens
vervolmakend voortzet zonder dat we dan met ons storende astrale lichaam en
Ik-organisatie daarbij hoeven te zijn.
(Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e
voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923) |
Zie de opmerking bij nr. 1986. |
|
2034 |
Net zo wordt het onderwijs op een heel bijzondere manier beleefd
wanneer je de andere rekensoorten van het hoofd, waar die tegenwoordig vaak
staan, weer op de voeten zet. (Opvoeding
en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley,
dinsdag 14 augustus 1923) |
Steiner bedoelt dat de vier hoofdbewerkingen (plus, min, maal,
gedeeld) tegenwoordig verkeerd aangepakt worden, namelijk van de termen naar
de som. Pas als we het andersom doen, doen we het goed, volgens hem. |
|
2035 |
Als je bijvoorbeeld er naartoe werkt het kind ertoe te brengen om te
zeggen: als je zeven hebt, hoeveel moet ik dan weghalen om drie te krijgen? -
niet: wat krijg je als je van de zeven vier weghaalt - maar omgekeerd: als je
zeven hebt - dat is het reële - en wat je wilt krijgen is weer het reële.
Hoeveel moet je van zeven wegnemen opdat je drie krijgt? - Met deze vorm van
denken sta je in eerste instantie in het leven, terwijl je met de andere vorm
in de abstractie staat. Zodat je, als je op deze wijze te werk gaat, dan heel
gemakkelijk naar het andere kunt terugkeren.
(Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e
voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923) |
Beide werkwijzen zijn noodzakelijk om tot een goed inzicht in de
bewerking te komen. Waarom zouden we in de abstractie terechtkomen als we
zeggen: wat krijg je als je van de zeven vier weghaalt? Dit lijkt me even
concreet te zijn als zeggen: Hoeveel moet ik van zeven weghalen om drie te
krijgen. Bij het eerste kennen we de uitkomst niet maar we kennen ze zodra we
het gevraagde weggenomen hebben, bij het tweede kennen we de uitkomst wel. In
feite is de tweede manier de minst concrete, want we vragen naar iets wat er
niet meer is. De werkwijze waaraan Steiner de voorkeur geeft is statischer en
meer cognitief dan de eerste werkwijze, waar we al doende de vier kunnen
wegnemen en concreet ervaren wat er overblijft. Dit is een dynamische
werkwijze. |
|
2036 |
Op dezelfde manier moet je bij het vermenigvuldigen, bij het delen te
werk gaan, niet vragen: wat ontstaat er als je tien door twee deelt? - maar:
hoe moet je tien delen opdat je vijf krijgt? - Je hebt immers het reële als
gegeven en in het leven moet datgene naar voren komen wat betekenis
heeft. (Opvoeding en moderne
cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14
augustus 1923) |
We moeten de beide werkwijzen naast elkaar zetten. |
|
2037 |
Er zijn twee kinderen onder wie tien appels verdeeld moeten worden,
ieder zal er vijf krijgen: dat zijn de realiteiten. Wat je daarvoor moet
doen, dat is het abstracte dat in het midden binnenkomt. Zo zijn de dingen
steeds rechtstreeks aangepast aan het leven.
(Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e
voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923) |
Het abstracte zit in het feit dat zowel de opgave als de uitkomst bij
deze werkwijze gekend zijn. Wat er tussen beide is gebeurd, blijft
onzichtbaar. Deze werkwijze - waaraan Steiner de voorkeur geeft - is veel
abstracter dan de werkwijze waarbij we uitgaan van de termen en daardoor ook
moeilijker voor de leerlingen. |
|
2038 |
Lukt je dit, dan ontstaat er dat we datgene wat we tegenwoordig op
additieve wijze, op zuiver uiterlijk naast elkaar schikkende wijze vaak
aanpakken en waardoor wij dodend werkzaam zijn, juist in het rekenonderwijs
als iets levengevends hebben. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley, dinsdag 14 augustus 1923) |
Of het ene nu dodend of levengevend is laat
ik in het midden. Beide zijn noodzakelijk. |
|
2039 |
We gunnen 't het kind dat op een gezonde manier zijn fysieke en zijn
etherlichaam verder werken. Dat kunnen we echter alleen als we echt spanning,
interesse, leven binnenbrengen juist in het reken- en meetkundeonderwijs. (Opvoeding
en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley,
dinsdag 14 augustus 1923). |
Zie de opmerking bij nr. 1986. Maar zoals in al het pedagogisch werk
moeten we zorgen dat er spanning, interesse, ontdekking enz. mogelijk is. Dit
heeft vooral met de ondersteuning van het geheugen en de kennis te maken. |
|
2051 |
Dan is het echter ook nodig om van het geheel uit te gaan, het geheel
eerst aan te vatten en dan de delen, terwijl je je anders helemaal niet
bekommert om de totale mens als je bij het tellen het ene bij het andere
legt, als je bij het tellen addendum bij addendum geeft. Op de totale mens
richt je je als je de eenheid bekijkt en vandaar naar de getallen overgaat,
als je de som, het aftrektal bekijkt, het quotiënt, het product, en vandaar
naar de delen overgaat. (Opvoeding
en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley,
dinsdag 14 augustus 1923). |
Beide werkwijzen zijn noodzakelijk. Bovendien: als men van het geheel
naar de delen gaat, dan veronderstelt men dat degene die het geheel
presenteert voorafgaand geteld heeft. Zo gaat het tellen toch vooraf aan het
opdelen in delen. |
|
2066 |
Dan gaat het erom dat, als je een tijdsvoorstelling op levendige wijze
hebt opgeroepen, dat je ermee verder kunt gaan innerlijk het historische te
beleven zoals je het rekenen, het geometrische beleeft doordat je niet een
dode opvatting ontwikkelt. (Opvoeding
en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 10e voordracht, Ilkley,
dinsdag 14 augustus 1923). |
Het inleven in de historische context - het inzicht in het
tijdsverloop - moet op een beeldende, levendige manier gebracht worden. |
|
2196 |
We kunnen deze drie gouden regels heel speciaal toepassen doordat we
het onderwijs in biologie, in geschiedenis dat we zo geven als ik het in deze
dagen heb aangeduid, gebruiken ter ontwikkeling van het geheugen. Het is zo
dat we bij het rekenen altijd moeten beginnen met het kunstzinnig begrijpen
van de dingen, zoals het deze dagen is aangegeven. (Opvoeding en moderne
cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 12e voordracht, Ilkley, donderdag 16
augustus 1923). |
Het kunstzinnige begrijpen bij het rekenen gaat uit van het doen, het
tellen. Zo kunnen we het getal 6 zo laten leggen dat er uit de figuur naar
voren komt dat het om 1 keer 6 gaat, of om 2 keer 3 of om 3 keer 2. Dat is
het kunstzinnige in het rekenen. |
|
2197 |
Maar als we er werkelijk voor hebben gezorgd dat het eenvoudigere,
laten we zeggen de getallen tot tien, of voor mijn part tot twintig, in hun
gebruik bij de rekenoperaties worden doorzien, dan hoeven we er niet voor
terug te schrikken het overige materiaal geheugenmatig op het kind af te
laten komen. (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon, Amsterdam, 2008, 12e
voordracht, Ilkley, donderdag 16 augustus 1923). |
In feite moeten we minstens tot 20 gaan. Daarna kan er naar analogie
gewerkt worden en een beroep gedaan worden op het geheugen. De vier
bewerkingen tot 20 moeten grondig gekend zijn en er moet enig inzicht zijn,
pas dan kunnen we verder gaan. |
|
2428 |
Een aantal jaren geleden werd er aan de universiteit van het Duitse
Regensburg een interessant experiment uitgevoerd. Kinderen leerden jongleren
met drie ballen en gingen daarna aan het rekenen. Een controlegroep deed
hetzelfde, echter zonder tevoren te jongleren. Het resultaat was dat de
jongleergroep aantoonbaar beter rekende. (Christof Wiechert). (Opvoeding en moderne cultuur. Pentagon,
Amsterdam, 2008, Antroposofische antropologie en wetenschapsontwikkeling, Dornach, Nawoord bij de uitgave van 2008). |
Was dit een eenmalig experiment of was het een wetenschappelijk
onderbouwd experiment dat op vele andere leerlingen werd toegepast? Het gaat
hier trouwens niet om het jongleren, ik denk dat gelijk welk bewegingsmoment
gunstig inwerkt op de rekenprestaties. |
|
CONCLUSIE |
||
|
Steiner heeft het vooral over het rekenen van de som naar de termen,
oftewel het analytische rekenen. Nu en dan heeft hij het ook over de andere
rekenweg: de synthetische (van de termen naar de som). Het is een van de
weinige methodische aanwijzingen die hij geeft. |
||
|
Hij heeft het vooral over het optellen. Veel minder over de drie
andere hoofdbewerkingen. |
||
|
Een andere aanwijzing over de methodiek is om het rekenen met letters
af te leiden uit het handelsrekenen, vooral de renteberekening. Dit is echter
slechts één mogelijkheid. Een meer voor de hand liggende overgang naar het
rekenen met letters is te vinden in de omtrek-, oppervlakte- en inhoudberekening, die trouwens eerder dan of omstreeks
dezelfde tijd aan bod komen als de renteberekening. |
||
|
De aanwijzingen in verband met het leerplan wiskunde zijn zéér
summier. Het valt op dat hij bepaalde aspecten van de wiskunde vrij laat aan
bod laat komen. |
||
|
De vier hoofdbewerkingen en hun connectie met de vier temperamenten.
Steiner geeft dit aan, maar geeft weinig concrete uitleg, en dan vooral in
verband met het rekenen vanuit de som naar de termen. |