https://www.cielen.eu

 

VORMTEKENEN EERSTE KLAS Luc Cielen

 

Op deze pagina vind je meer dan 100 voorbeelden van vormtekeningen die je kunt geven in de eerste klas. Voor de lessen vormtekenen heb je er per schooljaar slechts een dertigtal nodig, maar je kunt ook vormtekeningen opgeven als illustratie bij taal- en rekenopdrachten. Hoe meer vormtekeningen de kinderen maken, hoe meer oplettend ze worden voor vormgeving in natuur en cultuur. Op de pagina vormtekenen in de tweede klas vind je nog bijna 100 voorbeelden, waarvan je sommige ook in de eerste en in de derde klas kunt gebruiken.

 

Vormtekeningen in voorbereiding op het verbonden schrift vind je in het boek Bas Kunstler schrijft en op de webpagina https://www.cielen.eu/vakken/schrijven/leren%20schrijven.html.

 

 

 

In de eerste klas is het doel van het vormtekenen drieledig:

1.  Vormtekenen als aanzet tot het verbonden schrift. Dit wordt uitvoerig behandeld op de webpagina over leren schrijven en in het boek Bas Kunstler schrijft.

2.  Vormtekenen als ondersteuning van de ontwikkeling van het creatieve en beweeglijke denken door symmetrie- en spiegelingsoefeningen.

3.  Vormtekenen als scholing van de waarneming: via het tekenen ontwikkelen de kinderen aandacht voor natuurlijke, artistieke en ambachtelijke vormen en decoratieve elementen.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

VORMTEKENEN IS DENKEND TEKENEN

 

Bij het vormtekenen gaat het om lijnvoering. Hoe is de lijn: recht of krom (gebogen)? Hoe sluiten de lijnstukken op elkaar aan: met een hoek of met een boog? Hoe lopen de lijnen: naar rechts, naar links, naar boven, naar beneden, schuin omhoog, schuin omlaag? Is de lijn gesloten of open: vormt ze een vlak of niet? Als de lijn de begrenzing is van een vlak: hoe kun je dit vlak dan laten opvallen?

 

Bij symmetrie- en spiegelingsopgaven ontstaat er meestal een vlak. De kunst is om de aandacht naar dit vlak te richten, zodat de lijnen, hoewel die stevig dik en in kleur getekend zijn, toch het vlak alle aandacht gunnen.

 

Gebogen lijnen (krommen) liggen gemakkelijk in de hand en zijn minder inspannend om te tekenen. Rechte lijnen daarentegen vragen voortdurend controle en overzicht en vergen meer aandacht en inspanning tijdens het tekenen.

 

Elke hoek, elke verandering van richting van de lijn wekt aandacht en concentratie.

 

Symmetrie en spiegeling vragen voortdurend aandacht en afweging: hoe loopt de lijn ten opzichte van de as? Naar links, naar rechts, naar boven, naar onder, hoe ver verwijdert ze zich van de as, loopt ze parallel met de as of staat ze er loodrecht of schuin op, enzovoort?

 

Vormtekenen leert de kinderen met aandacht kijken naar alle mogelijke vormen in natuur en cultuur:

Bladvormen (rond, hoekig, ingesneden e.a.)

Boomvormen (naaldboom loofboom e.a.)

Bloemvormen (driedelig, vierdelig, vijfdelig e.a.)

Kristalvormen (kwarts, calsiet, basalt e.a.)

Schelpvormen (slak, zeeslak, ammoniet e.a.)

Fles, karaf, vaas, kaarsenhouder e.a.

Schemerlamp, appliques e.a.

Design, sierkunst, decoratie enz.

 

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

EERST OEFENEN, DAN TEKENEN, DAN AFWERKEN.

Elke opgave is drieledig.

 

1. Oefenen (op een oefenblad).

Laat de oefening op een oefenblad maken met schetspotlood. Lukt het de eerste keer niet, gebruik dan een volgend oefenblad. Lukt het nog niet: dan weer een volgend oefenblad enzovoort tot de oefening lukt of min of meer aanvaardbaar is.

Voor de leerkracht zijn de oefenbladen het belangrijkst. Aan de hand daarvan kan zij/hij zich een oordeel vormen over de ontwikkeling van het kind, over de aandacht die het aan de tekening besteed heeft, over de mogelijkheden en onmogelijkheden van het kind. Welk probleem wordt hier zichtbaar? Moest het kind het blad draaien of niet om de tekening te maken?

 

2. De lijn(en) tekenen.

Is de opgave op het oefenblad (min of meer) geslaagd, dan tekent het kind de oefening op het tekenblad met schetspotlood, en liefst zo zacht mogelijk. Slaagt een kind er niet in om de tekening op het oefenblad te maken, dan kan de leerkracht de tekening (gedeeltelijk) op het tekenblad voortekenen.

Staat de tekening in schetspotlood op het tekenblad, dan is het belangrijkste aspect van het vormtekenen afgelopen. Daarna volgt de afwerking. Die is minder belangrijk, maar toch noodzakelijk, want elk werk moet een zekere schoonheid uitstralen en zo goed mogelijk afgewerkt worden.

 

3. Afwerken in kleur.

Bij symmetrie- en spiegelingsopgaven laat je de as waarrond gespiegeld werd, uitgommen.

Is de potloodlijn te dik (te hard op het potlood gedrukt), de potloodlijn licht uitgommen tot ze nog net zichtbaar blijft.

De tekening in n kleur afwerken.

Enkele keren met dezelfde kleur over de tekening gaan, zodat de lijn wat dikker (breder) wordt.

Een tweede kleur naast de eerste kleur aanbrengen. Let erop dat de twee kleuren bij elkaar passen: ofwel elkaar aanvullen ofwel contrasteren met elkaar.

Een derde kleur naast de vorige twee kan ook, maar is soms niet echt nodig, zeker als de twee eerste kleuren breed getekend zijn en de kleuren bij elkaar passen of contrasteren.

De achtergrond NIET inkleuren.

Grote tekeningen (op een blad groter dan A4) kun je met waskrijtjes laten afwerken.

Kleine tekeningen (in een reken- of taalschrift) kun je met dunne kleurpotloden laten afwerken. Soms volstaat dan n kleur.

Elk lijnstuk moet in n beweging getekend worden, ook bij het afwerken in 2 of 3 kleuren. Let erop dat de kinderen niet met kleine streepjes werken. Elke lijn van hoek tot hoek is n beweging.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

SYMMETRIE- & SPIEGELOEFENINGEN

 

Symmetrie heeft betrekking op links/rechts met een verticale centrale as, zoals dit bij de menselijke figuur te zien is.

 

Spiegelen heeft betrekking op onder/boven met een horizontale as, zoals je dit in de natuur ziet bij de spiegeling in een wateroppervlak.

 

 

Waarom symmetrie- en spiegeloefeningen?

Vr de leeftijd van ongeveer zes jaar hanteert het kind beide handen en voeten doorgaans evenwaardig. De bewegingen zijn elkaars spiegelbeeld. Het kind heeft nog geen besef van links en rechts. Vanaf zes jaar treedt de lateralisatie in: er ontwikkelt zich samenwerking tussen beide handen met een zekere "taakverdeling"; de ene hand voert uit, de andere assisteert. De voorkeurhand/-voet gaat steeds meer de handeling uitvoeren. Na de lateralisatiefase is de rechter- of linkerdominantie duidelijk. Hierdoor wordt dus rechtshandigheid of linkshandigheid bepaald. (Wikipedia).

 

In de eerste en de tweede klas ondersteunen symmetrie- en spiegeloefeningen de voorkeurshand, maar tegelijk oefenen de kinderen daarmee het evenwicht: links en rechts en boven en onder moeten gelijkwaardig zijn, ondanks de voorkeur voor links of rechts. Met de ogen moet het kind voortdurend aftasten of de figuur rechts van de symmetrielijn beantwoordt aan de figuur links ervan.

 

Gaat bij een symmetrieopgave de lijn aan de linkerkant schuin links naar onder, dan moet die aan de rechterkant schuin rechts naar onder. De afstand tot de middellijn (symmetrieas/spiegelingsas) moet aan beide kanten hetzelfde zijn. Dit vergt veel controle, zowel van de handmotoriek als van de ogen. Het is een voortdurend aftasten en kritisch beoordelen van het eigen werk. Zo spreek je tegelijk het denken en het kunstzinnige - dat zich vooral in de afwerking manifesteert - aan. Daarbij betrek je de creativiteit en het kleurbeleven van de kinderen.

 

Motorisch gezien is het belangrijk dat elke lijn in n vloeiende en ononderbroken beweging wordt neergezet. Dit vergt voor sommige kinderen heel wat durf, maar als ze erin slagen, geeft dit een voldaan gevoel en groeit hun zelfvertrouwen.

Dankzij de vele symmetrie- en spiegeloefeningen slagen de kinderen er langzaamaan in om meetkundige figuren als cirkel, vierkant, rechthoek en andere vormen uit de vrije hand te tekenen. Daardoor ervaren ze al tekenend de eigenschappen van deze figuren. Symmetrie- en spiegeloefeningen monden in de vijfde en de zesde klas dan ook uit in meetkunde.

 

Bij symmetrie- en spiegeloefeningen ontstaat er binnen de lijnen een vlakke vorm. Als de as, waarrond de lijnen gespiegeld zijn, verdwijnt, wordt de vorm in zijn geheel zichtbaar. De as moet daarom zr licht getekend zijn en zo mogelijk uitgegomd kunnen worden.

 

Bij het vormtekenen hanteer je volgende stappen:

1. Oefenen in het klad (oefenblad). En, twee of meer keren per opgave.

2. De tekening met schetspotlood op het tekenblad zetten.

3. De tekening in kleur zetten en verschillende keren met dezelfde kleur over de lijn gaan, zodat de lijn dikker (breder) wordt.

4. Een tweede kleur naast de eerste kleur zetten en ook deze lijn dikker (breder) maken door er enkele keren overheen te gaan.

5. De achtergrond liefst NIET inkleuren. Het wit van het blad is de ideale contrastkleur. Wil je de vormtekeningen toch op een gekleurde achtergrond zetten, schilder het blad dan vooraf nat-in-nat en laat het opdrogen, waarbij je zorgt dat het blad mooi vlak blijft. Maar doe aub niet zoals in vele scholen gebeurt: eerst de tekening maken en dan het blad met waskrijt of wasblokje inkleuren. Dit levert (bijna) altijd een afschuwelijk en onverzorgd resultaat op.

6. Vormtekeningen op grote bladen (groter dan A4) kun je met waskrijtjes laten tekenen. Op kleinere bladen en in schriften of op werkbladen, waar de vormtekeningen dienen om lege vlakken op te vullen, laat je de vormtekeningen met kleurpotlood maken.

 

WERKWIJZE

1. Een gedeelte van de tekening (ofwel linkerhelft ofwel rechterhelft of bovenste helft of onderste helft) staat klein op het bord. Als het kan 1 of 2 dagen vr de tekenles. De tekening bevat de as (verticaal of horizontaal of een combinatie van beide) in wit krijt en de tekening in kleur (1 kleur of wit), dus nog niet afgewerkt met diverse kleuren.

 

 

2. Bij de aanvang van de tekenles  en na de bespreking van de vorige tekening tekent de leerkracht de aslijn en het gedeelte van de tekening dat als opgave dient in het groot op het bord. Dus niet de hele tekening en zeker niet de volledige tekening in kleur afgewerkt, want daardoor ontneem je de kinderen de kans om de tekening naar eigen inzicht en mogelijkheid aan te vullen.

 

 

3. De kinderen tekenen de vorm die op het bord (de gedeeltelijke tekening) staat met de vinger in de lucht, met de vinger op de tafel, met de voet op de vloer, met een hand enzovoort. Van grote beweging naar kleine beweging. Dit is niet per se nodig, maar kan een extra gelegenheid zijn om de kinderen in beweging te brengen.

 

4. De kinderen vullen nu met de vinger of hand of voet het ontbrekende deel van de tekening aan (in lucht, op tafel, vloer enz.). Rechtshandige/-voetige kinderen doen dit met de rechterhand/-voet, linkshandige/-voetige kinderen doen dit met de linkerhand/-voet.

 

5. Als afwisseling kun je de linkerhelft van de tekening ook eens met de linkerhand, de rechterhelft met de rechterhand laten tekenen (in lucht, op tafel, vloer enz). Bij een spiegelingsoefening kun je met de linkerhand de bovenste helft tekenen en met de rechterhand de onderste helft of vice versa of je gebruikt hand en voet.

6. De kinderen tekenen nu met gewoon tekenpotlood (schetspotlood, bijvoorbeeld HB) op een oefenblad de tekening, zo zacht mogelijk. Ze laten die controleren door een ander kind en ten slotte door de leerkracht. Indien nodig geeft de leerkracht enkele aanwijzingen en geeft desnoods nog een tweede oefenblad. In sommige gevallen kan een derde of vierde oefenblad zinvol zijn, maar dan steeds met de nodige ondersteuning en hulp van de leerkracht: een stuk voortekenen of de hele figuur hl zacht op het blad tekenen.

 

 

 

7. Is de tekening op het oefenblad voldoende geoefend, dan tekenen de kinderen de vorm op een tekenblad:

de aslijn(en) met zr zacht schetspotlood of met lichtgeel kleurpotlood; de vormtekening onmiddellijk in

kleurpotlood of als het kind nog niet zo goed tekent, met schetspotlood, maar dan zr zacht.

Is de vorm geslaagd, dan gaat het kind met dezelfde kleur 5 of meer keren over de tekening om de lijn dikker (breder) te maken. Maar je kunt ook de vorm, als die in schetspotlood staat, uitbreiden door individueel per kind er een lijn aan toe te voegen (zie punt 10 verderop).

8. De vorm kan afgewerkt worden door naast de lijn een tweede of zelfs een derde kleur aan te brengen. Dit moet steeds zo gebeuren dat de lijnvoering behouden blijft. Dus niet beginnen inkleuren of met korte streepjes de vorm natrekken. Meestal zijn twee of drie kleuren voldoende, want de lijn moet steeds duidelijk herkenbaar blijven. Je kunt de drie kleuren alleen aan de binnenkant van het vlak naast elkaar zetten, maar je kunt deze kleuren ook aan de buitenkant van het vlak zetten of zowel binnen als buiten het vlak, zoals in het voorbeeld hieronder. Je kunt de kleuren ook in dezelfde volgorde zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant zetten zoals je verderop kunt zien bij punt 2.4.: SPIEGELINGEN.

 

 

9. De achtergrond van een vormtekening kan best gewoon wit blijven. Dus niet inkleuren en zeker niet met de platte zijde van een waskrijtje of wasblokje wat kleur laten aanbrengen. De vorm zelf moet duidelijk met de achtergrond contrasteren. Wil je toch een gekleurde achtergrond, gebruik dan gekleurd papier. Je kunt daarvoor het tekenblad enkele dagen op voorhand met nat-in-nat-schilderen kleuren en laten drogen en goed platdrukken.

 

10. Als kinderen hl snel en goed de vorm getekend hebben, kun je een extra lijn toevoegen om de tekening nog wat moeilijker te maken. Dit doe je individueel per kind, zodat je elk kind een andere vorm kunt geven.

 

In de loop van een schooljaar, met n les vormtekenen per week, kun je een 30-tal vormtekeningen laten maken.

Daarnaast kun je tal van vormtekeningen laten maken in reken- en taalschriften tijdens de betreffende periodes, om de bladspiegel aan te vullen, waar dat zinvol is.

 

----------------------------------------------------

VOORBEELDEN

 

De hieronder gegeven voorbeelden hoef je niet in de volgorde te geven zoals ze getekend zijn. Symmetrieoefeningen (rond een verticale as) en spiegeloefeningen (rond een horizontale as) kun je door elkaar geven. Bijvoorbeeld: de ene week een symmetrieopgave, de volgende week een spiegeloefening, de week erop een andere soort symmetrieoefening enzovoort.

De voorbeelden zijn niet beperkend. Je kunt voortdurend nieuwe vormen bedenken, want je kunt tal van variaties maken op basis van dit gegeven: rechte en gebogen lijnen in combinatie met elkaar.

 

 

1. SYMMETRIE

1.1. En lijn. Recht of gebogen of combinatie van beide. Meestal teken je de linkerkant voor. Maar af en toe kun je ook eens de rechtse kant voortekenen.

Eerst een reeks waarbij geen nieuw vlak ontstaat tijdens het spiegelen. De figuur zelf kan wel een vlak zijn, maar de zijden ervan komen niet tegen de verticale as.

Dan een reeks tekeningen waarbij er een nieuw vlak ontstaat tijdens het spiegelen. Bij de afwerking moet dit vlak alle aandacht krijgen. De centrale as kun je dan best uitgommen en de kleuren van de lijnen lopen links en rechts door.

Je kunt ook nu en dan de rechterkant van de tekening als opgave geven zodat de kinderen de linkerkant moeten aanvullen. Deze manier van werken gaat tegen de hand en de schrijfrichting in. Voor de linkshandige kinderen is dit een welkome afwisseling, want voor hen is het gemakkelijker. Vijf voorbeelden uit de vorige reeks:

 

De tekening kan over de symmetrieas lopen:

 

1.2. Met twee lijnen, rechten en krommen.

Bij deze opgaven kun je spelen met symmetrische lettervormen en kun je letters (af en toe) vanuit spiegelbeeld omzetten naar normaal beeld (zoals de letter R hieronder bij de voorbeelden) of andersom (zoals het cijfer 6 en de letter G hieronder). Bij de letter R (die in het voorbeeld niet tegen de symmetrieas komt) zie je dat bij het spiegelen niets bijzonders gebeurt: er verschijnt de gewone letter R. Bij het cijfer 6 en de letter G ontstaat er een binnenruimte. De bedoeling is dat die ruimte de aandacht krijgt en dus bij het afwerken benadrukt wordt. Het cijfer en de letter zijn dan niet meer belangrijk.

 

1.3. Met lussen.

Bij deze opgaven is er wat aandacht nodig bij de afwerking. De tekening + spiegeling laat je in n kleur afwerken. De tweede kleur volgt echter niet de lijn bij het snijden (kruisen) en snijdt dus niet. Deze tweede kleur dient om de nieuw ontstane binnenruimte te benadrukken. Zo kun je ook een extra kleur toevoegen aan de buitenkant. En binnen de lussen kun je nog een extra kleur laten zetten. Zo krijg je drie vlakken: een binnenvlak, een buitenruimte en kleine binnenvlakken binnen de lussen.

 

 

De afwerking in kleur benadrukt de binnen- en buitenruimten en de binnenruimte van de lussen, zoals in het voorbeeld hieronder.

De tekening in potlood afwerken, de symmetrieas uitgommen:

De tekening is in n kleur zetten (enkele keren met dezelfde kleur over de lijn gegaan):

 

 

Een tweede kleur, aan de binnenkant van de lijn zetten en er ook enkele keren overheen gaan om de lijn dikker (breder) te maken. De lussen hebben nog gn tweede kleur:

 

Een derde kleur aanbrengen, aan de buitenkant van de lijn; ook deze kleur breder maken door er enkele keren overheen te gaan:

 

 

De lussen binnenin een extra kleur geven. Dit kan dezelfde kleur zijn als de binnenkant van de grote figuur, maar kan ook een vierde kleur zijn (zoals hier):

 

 

Let er bij het tekenen met schetspotlood en kleurpotlood of waskrijt op dat de kinderen de lijnstukken in n beweging tekenen, zoals je op de voorbeelden hierboven kunt zien. Sommige kinderen hebben de neiging om de lijnen in kleine stukjes te tekenen, waardoor bij het resultaat overal kleine uitsteeksels te zien zijn.

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

2. SPIEGELING

2.1. Spiegeling waarbij er geen nieuw vlak ontstaat over de horizontale as.

2.2. Spiegeling waarbij er een nieuw vlak ontstaat over de horizontale as. Dit nieuwe vlak wordt in de afwerking benadrukt.

 

2.3. De tekening kan ook onder de spiegelingsas staan.

 

2.4. De figuur kan zowel boven als onder de spiegelingsas lopen.

 

met als resultaat:

Als je de spiegelingsas verwijdert en de tekening in 2 of 3 kleuren afwerkt krijg je als resultaat dit:

In deze voorbeelden zijn dezelfde kleuren in dezelfde volgorde gebruikt binnen de vlakken en erbuiten.

 

 

2.5. Je kunt de tekeningen van de vorige reeks (symmetrie) een kwartslag draaien naar links of naar rechts.

Bijvoorbeeld:

 

Zo kun je van n symmetrieoefening vier verschillende spiegeloefeningen maken, met telkens een andere vorm als resultaat.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

3. VIERZIJDIGE SYMMETRIE (combinatie van symmetrie en spiegeling).

 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

4. APPLICATIES (DESIGN).

Symmetrie is terug te vinden in talloze toepassingen in huis en elders. In de voorbeelden hieronder heb je enkele flessen, potten en een lantaarn.

Door met de breedte en de hoogte van de tekening te spelen, kun je van n oefening, verschillende opgaven maken omdat de gebogen lijnen bij elke aanpassing anders zijn.

Je geeft aan de kinderen alleen de linkerhelft op (zoals op de tekening hieronder) zonder erbij te vertellen welke figuur of welke toepassing het is. Door de volledige tekening te maken zien de kinderen de gehele vorm en zien ze ook welk voorwerp ze getekend hebben.

In de 1e klas geef je enkele eenvoudige opgaven, in de 2e, 3e en de 4e klas kun je moeilijkere opgaven geven.

 

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

OPMERKINGEN

Tekeningen fotokopiren en aan de kinderen geven om in te kleuren doe je vanzelfsprekend niet.

Geef altijd kwaliteitsvol tekenpapier (160 g of meer).

Voor het vormtekenen is glad tekenpapier ideaal.

 

https://www.cielen.eu