https://www.cielen.eu

 

VORMTEKENEN TWEEDE KLAS Luc Cielen

 

Op deze pagina vind je 93 voorbeelden van vormtekeningen die je kunt geven in de tweede klas. Voor de lessen vormtekenen heb je er per schooljaar slechts een dertigtal nodig, maar je kunt ook vormtekeningen opgeven als illustratie bij taal- en rekenopdrachten. Hoe meer vormtekeningen de kinderen maken, hoe meer oplettend ze worden voor vormgeving in natuur en cultuur. Op de pagina vormtekenen in de eerste klas vind je nog meer dan 100 voorbeelden, waarvan je de meeste ook in de tweede en in de derde klas kunt gebruiken.

 

VORMTEKENEN IS DENKEND TEKENEN

 

Bij het vormtekenen gaat het om lijnvoering. Hoe is de lijn: recht of krom (gebogen)? Hoe sluiten de lijnstukken op elkaar aan: met een hoek of met een boog? Hoe lopen de lijnen: naar rechts, naar links, naar boven, naar beneden, schuin omhoog, schuin omlaag? Is de lijn gesloten of open: vormt ze een vlak of niet? Als de lijn de begrenzing is van een vlak: hoe kun je dit vlak dan laten opvallen?

 

Bij symmetrie- en spiegelingsopgaven ontstaat er meestal een vlak. De kunst is om de aandacht naar dit vlak te richten, zodat de lijnen, hoewel die stevig dik en in kleur getekend zijn, toch het vlak alle aandacht gunnen.

 

Gebogen lijnen (krommen) liggen gemakkelijk in de hand en zijn minder inspannend om te tekenen. Rechte lijnen daarentegen vragen voortdurend controle en overzicht en vergen meer aandacht en inspanning tijdens het tekenen.

 

Elke hoek, elke verandering van richting van de lijn wekt aandacht en concentratie.

 

Symmetrie en spiegeling vragen voortdurend aandacht en afweging: hoe loopt de lijn ten opzichte van de as? Naar links, naar rechts, naar boven, naar onder, hoe ver verwijdert ze zich van de as, loopt ze parallel met de as of staat ze er loodrecht of schuin op, enzovoort?

 

Vormtekenen leidt enerzijds tot het verbonden schrift (dankzij het tekenen van friezen) en

anderzijds tot meetkunde.

 

Vormtekenen leert de kinderen met aandacht kijken naar alle mogelijke vormen in natuur en cultuur:

Bladvormen (rond, hoekig, ingesneden e.a.)

Boomvormen (naaldboom loofboom e.a.)

Bloemvormen (driedelig, vierdelig, vijfdelig e.a.)

Kristalvormen (kwarts, calsiet, basalt e.a.)

Schelpvormen (slak, zeeslak, ammoniet e.a.)

Fles, karaf, vaas, kaarsenhouder, schaal, kom, pepermolen, potjes e.a.

Schemerlamp, appliques e.a.

Design, sierkunst, decoratie enz.

 

 

EERST OEFENEN, DAN TEKENEN, DAN AFWERKEN.

Elke opgave is drieledig.

 

1. Oefenen (op een oefenblad).

Laat de oefening op een oefenblad maken met schetspotlood. Lukt het de eerste keer niet, gebruik dan een volgend oefenblad. Lukt het nog niet: dan weer een volgend oefenblad enzovoort tot de oefening lukt of min of meer aanvaardbaar is.

Voor de leerkracht zijn de oefenbladen het belangrijkst. Aan de hand daarvan kan zij/hij zich een oordeel vormen over de ontwikkeling van het kind, over de aandacht die het aan de tekening besteed heeft, over de mogelijkheden en onmogelijkheden van het kind. Welk probleem wordt hier zichtbaar? Moest het kind het blad draaien of niet om de tekening te maken?

 

2. De lijn(en) tekenen.

Is de opgave op het oefenblad (min of meer) geslaagd, dan tekent het kind de oefening op het tekenblad met schetspotlood, en liefst zo zacht mogelijk. Slaagt een kind er niet in om de tekening op het oefenblad te maken, dan kan de leerkracht de tekening (gedeeltelijk) op het tekenblad voortekenen.

Staat de tekening in schetspotlood op het tekenblad, dan is het belangrijkste aspect van het vormtekenen afgelopen. Daarna volgt de afwerking. Die is minder belangrijk, maar toch noodzakelijk, want elk werk moet een zekere schoonheid uitstralen en zo goed mogelijk afgewerkt worden.

 

3. Afwerken in kleur.

Bij symmetrie- en spiegelingsopgaven laat je de as waarrond gespiegeld werd, uitgommen.

Is de potloodlijn te dik (te hard op het potlood gedrukt), de potloodlijn licht uitgommen tot ze nog net zichtbaar blijft.

De tekening in n kleur afwerken.

Enkele keren met dezelfde kleur over de tekening gaan, zodat de lijn wat dikker (breder) wordt.

Een tweede kleur naast de eerste kleur aanbrengen. Let erop dat de twee kleuren bij elkaar passen: ofwel elkaar aanvullen ofwel contrasteren met elkaar.

Een derde kleur naast de vorige twee kan ook, maar is soms niet echt nodig, zeker als de eerste twee kleuren breed getekend zijn en de kleuren bij elkaar passen of contrasteren.

De achtergrond NIET inkleuren en een kader tekenen op de rand van het blad is ook NIET nodig.

Grote tekeningen (op een blad groter dan A4) kun je met waskrijtjes laten afwerken.

Kleine tekeningen (in een reken- of taalschrift) kun je met dunne kleurpotloden laten afwerken. Soms volstaat dan n kleur.

Elk lijnstuk moet in n beweging getekend worden, ook bij het afwerken in 2 of 3 kleuren. Let erop dat de kinderen niet met kleine streepjes werken. Elke lijn van hoek tot hoek is n beweging.

 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

SYMMETRIE- & SPIEGELOEFENINGEN

 

Het vormtekenen in de tweede klas bestaat hoofdzakelijk uit symmetrie- en spiegeloefeningen. Friezen (bandfiguren) tekenen zoals in de eerste klas is alleen van toepassing als de kinderen nog niet toe zijn aan het verbonden schrift. Toch kunnen ze nu en dan lange friezen tekenen, wat heel goed mogelijk is bij spiegeloefeningen (zie een voorbeeld verderop).

 

Symmetrie heeft betrekking op links/rechts met een verticale centrale as, zoals dit bij de menselijke figuur te zien is.

Spiegelen heeft betrekking op onder/boven met een horizontale as, zoals je dit in de natuur ziet bij de spiegeling in een wateroppervlak.

 

 

Waarom symmetrie- en spiegeloefeningen?

Vr de leeftijd van ongeveer zes jaar hanteert het kind beide handen en voeten doorgaans evenwaardig. De bewegingen zijn elkaars spiegelbeeld. Het kind heeft nog geen besef van links en rechts. Vanaf zes jaar treedt de lateralisatie in: er ontwikkelt zich samenwerking tussen beide handen met een zekere "taakverdeling"; de ene hand voert uit, de andere assisteert. De voorkeurhand/-voet gaat steeds meer de handeling uitvoeren. Na de lateralisatiefase is de rechter- of linkerdominantie duidelijk. Hierdoor wordt dus rechtshandigheid of linkshandigheid bepaald. (Wikipedia).

 

In de eerste en de tweede klas ondersteunen symmetrie- en spiegeloefeningen de voorkeurshand, maar tegelijk oefenen de kinderen daarmee het evenwicht: links en rechts en boven en onder moeten gelijkwaardig zijn, ondanks de voorkeur voor links of rechts. Met de ogen moet het kind voortdurend aftasten of de figuur rechts van de symmetrielijn beantwoordt aan de figuur links ervan.

 

Gaat bij een symmetrieopgave de lijn aan de linkerkant schuin links naar onder, dan moet die aan de rechterkant schuin rechts naar onder. De afstand tot de middellijn (symmetrieas/spiegelingsas) moet aan beide kanten hetzelfde zijn. Dit vergt veel controle, zowel van de handmotoriek als van de ogen. Het is een voortdurend aftasten en kritisch beoordelen van het eigen werk. Zo spreek je tegelijk het denken en het kunstzinnige - dat zich vooral in de afwerking manifesteert - aan. Daarbij betrek je de creativiteit en het kleurbeleven van de kinderen.

 

Motorisch gezien is het belangrijk dat elke lijn (lijnstuk) in n vloeiende en ononderbroken beweging wordt neergezet. Dit vergt voor sommige kinderen heel wat durf, maar als ze erin slagen, geeft dit een voldaan gevoel en groeit hun zelfvertrouwen.

Dankzij de vele symmetrie- en spiegeloefeningen slagen de kinderen er langzaamaan in om meetkundige figuren als cirkel, vierkant, rechthoek en andere vormen uit de vrije hand te tekenen. Daardoor ervaren ze al tekenend de eigenschappen van deze figuren. Symmetrie- en spiegeloefeningen monden in de vijfde en de zesde klas dan ook uit in meetkunde.

 

Bij symmetrie- en spiegeloefeningen ontstaat er binnen de lijnen een vlakke vorm. Als de as, waarrond de lijnen gespiegeld zijn, verdwijnt, wordt de vorm in zijn geheel zichtbaar. De as moet daarom zr licht getekend zijn en zo mogelijk uitgegomd kunnen worden.

 

Bij het vormtekenen hanteer je volgende stappen:

1. Oefenen in het klad (oefenblad). En, twee of meer keren per opgave.

2. De tekening met schetspotlood op het tekenblad zetten.

3. De tekening in kleur zetten en verschillende keren met dezelfde kleur over de lijn gaan, zodat de lijn dikker (breder) wordt.

4. Een tweede kleur naast de eerste kleur zetten en ook deze lijn dikker (breder) maken door er enkele keren overheen te gaan.

5. De achtergrond liefst NIET inkleuren. Het wit van het blad is de ideale contrastkleur. Wil je de vormtekeningen toch op een gekleurde achtergrond zetten, schilder het blad dan vooraf nat-in-nat en laat het opdrogen, waarbij je zorgt dat het blad mooi vlak blijft. Maar doe aub niet zoals in vele scholen gebeurt: eerst de tekening maken en dan het blad met waskrijt of wasblokje inkleuren. Dit levert (bijna) altijd een afschuwelijk en onverzorgd resultaat op.

6. Vormtekeningen op grote bladen (groter dan A4) kun je met waskrijtjes laten tekenen. Op kleinere bladen en in schriften of op werkbladen, waar de vormtekeningen dienen om lege vlakken op te vullen, laat je de vormtekeningen met kleurpotlood maken.

 

WERKWIJZE

1. Een gedeelte van de tekening (ofwel linkerhelft ofwel rechterhelft of bovenste helft of onderste helft) staat klein op het bord. Als het kan 1 of 2 dagen vr de tekenles. De tekening bevat de as (verticaal of horizontaal of een combinatie van beide) in wit krijt en de tekening in kleur (1 kleur of wit), dus nog niet afgewerkt met diverse kleuren.

 

2. Bij de aanvang van de tekenles  en na de bespreking van de vorige tekening tekent de leerkracht de aslijn en het gedeelte van de tekening dat als opgave dient in het groot op het bord. Dus niet de hele tekening en zeker niet de volledige tekening in kleur afgewerkt, want daardoor ontneem je de kinderen de kans om de tekening naar eigen inzicht en mogelijkheid aan te vullen.

 

 

 

3. De kinderen tekenen de vorm die op het bord (de gedeeltelijke tekening) staat met de vinger in de lucht, met de vinger op de tafel, met de voet op de vloer, met een hand enzovoort. Van grote beweging naar kleine beweging. Dit is niet per se nodig, maar kan een extra gelegenheid zijn om de kinderen in beweging te brengen.

 

4. De kinderen vullen nu met de vinger of hand of voet het ontbrekende deel van de tekening aan (in lucht, op tafel, vloer enz.). Rechtshandige/-voetige kinderen doen dit met de rechterhand/-voet, linkshandige/-voetige kinderen doen dit met de linkerhand/-voet.

 

5. Als afwisseling kun je de linkerhelft van de tekening ook eens met de linkerhand, de rechterhelft met de rechterhand laten tekenen (in lucht, op tafel, vloer enz). Bij een spiegelingsoefening kun je met de linkerhand de bovenste helft tekenen en met de rechterhand de onderste helft of vice versa of je gebruikt hand en voet.

6. De kinderen tekenen nu met gewoon tekenpotlood (schetspotlood, bijvoorbeeld HB) op een oefenblad de tekening, zo zacht mogelijk. Ze laten die controleren door een ander kind en ten slotte door de leerkracht. Indien nodig geeft de leerkracht enkele aanwijzingen en geeft desnoods nog een tweede oefenblad. In sommige gevallen kan een derde of vierde oefenblad zinvol zijn, maar dan steeds met de nodige ondersteuning en hulp van de leerkracht: een stuk voortekenen of de hele figuur hl zacht op het blad tekenen.

 

 

7. Is de tekening op het oefenblad voldoende geoefend, dan tekenen de kinderen de vorm op een tekenblad:

de aslijn(en) met zr zacht schetspotlood of met lichtgeel kleurpotlood; de vormtekening onmiddellijk in

kleurpotlood of als het kind nog niet zo goed tekent, met schetspotlood, maar dan zr zacht.

Is de vorm geslaagd, dan gaat het kind met dezelfde kleur 5 of meer keren over de tekening om de lijn dikker (breder) te maken. Maar je kunt ook de vorm, als die in schetspotlood staat, uitbreiden door individueel per kind er een lijn aan toe te voegen (zie punt 10 verderop).

 

 

8. De vorm kan afgewerkt worden door naast de lijn een tweede of zelfs een derde kleur aan te brengen. Dit moet steeds zo gebeuren dat de lijnvoering behouden blijft. Dus niet beginnen inkleuren of met korte streepjes de vorm natrekken. Meestal zijn twee of drie kleuren voldoende, want de lijn moet steeds duidelijk herkenbaar blijven.

9. De achtergrond van een vormtekening kan best gewoon wit blijven. Dus niet inkleuren en zeker niet met de platte zijde van een waskrijtje of wasblokje wat kleur laten aanbrengen. De vorm zelf moet duidelijk met de achtergrond contrasteren. Wil je toch een gekleurde achtergrond, gebruik dan gekleurd papier. Je kunt daarvoor het tekenblad enkele dagen op voorhand met nat-in-nat-schilderen, laten drogen en goed platdrukken. Een kader tekenen op de rand van het blad is niet nodig.

 

10. Als kinderen hl snel en goed de vorm getekend hebben, kun je een extra lijn toevoegen om de tekening nog wat moeilijker te maken. Dit doe je individueel per kind, zodat je elk kind een andere vorm kunt geven.

 

In de loop van een schooljaar, met n les vormtekenen per week, kun je een 30-tal vormtekeningen laten maken.

Daarnaast kun je tal van vormtekeningen laten maken in reken- en taalschriften tijdens de betreffende periodes, om de bladspiegel aan te vullen, waar dat zinvol is.

 

----------------------------------------------------

VOORBEELDEN

 

De hieronder gegeven voorbeelden hoef je niet in de volgorde te geven zoals ze getekend zijn. Symmetrieoefeningen (rond een verticale as) en spiegeloefeningen (rond een horizontale as) kun je door elkaar geven. Bijvoorbeeld: de ene week een symmetrieopgave, de volgende week een spiegeloefening, de week erop een andere soort symmetrieoefening enzovoort.

De voorbeelden zijn niet beperkend. Je kunt voortdurend nieuwe vormen bedenken, want je kunt tal van variaties maken op basis van dit gegeven: rechte en gebogen lijnen in combinatie met elkaar.

 

 

1. SYMMETRIE

1.1. En lijn. Recht of gebogen of combinatie van beide. Meestal teken je de linkerkant voor. Maar af en toe kun je ook eens de rechtse kant voortekenen. Nog meer voorbeelden vind je bij het vormtekenen van de eerste klas.

 

Je kunt ook nu en dan de rechterkant van de tekening als opgave geven zodat de kinderen de linkerkant moeten aanvullen. Deze manier van werken gaat tegen de hand en de schrijfrichting in. Voor de linkshandige kinderen is dit een welkome afwisseling, want voor hen is het gemakkelijker.

 

 

1.2. Met twee lijnen, rechten en krommen.

Bij deze opgaven kun je spelen met symmetrische lettervormen en kun je letters (af en toe) vanuit spiegelbeeld omzetten naar normaal beeld (zoals de letter R hieronder bij de voorbeelden) of andersom (zoals het cijfer 6 en de letter G hieronder). Bij de letter R (die in het voorbeeld niet tegen de symmetrieas komt) zie je dat bij het spiegelen niets bijzonders gebeurt: er verschijnt de gewone letter R. Bij het cijfer 6 en de letter G ontstaat er een binnenruimte. De bedoeling is dat die ruimte de aandacht krijgt en dus bij het afwerken benadrukt wordt. Het cijfer en de letter zijn dan niet meer belangrijk. Nog meer voorbeelden vind je bij het vormtekenen van de eerste klas.

 

 

1.3. Met lussen.

Bij deze opgaven is er wat aandacht nodig bij de afwerking. De tekening + spiegeling laat je in n kleur afwerken. De tweede kleur volgt echter niet de lijn bij het snijden (kruisen) en snijdt dus niet. Deze tweede kleur dient om de nieuw ontstane binnenruimte te benadrukken. Zo kun je ook een extra kleur toevoegen aan de buitenkant. En binnen de lussen kun je nog een extra kleur laten zetten. Zo krijg je drie vlakken: een binnenvlak, een buitenruimte en kleine binnenvlakken binnen de lussen. Nog meer voorbeelden vind je bij het vormtekenen van de eerste klas.

 

 

De afwerking in kleur benadrukt de binnen- en buitenruimten en de binnenruimte van de lussen, zoals in het voorbeeld hieronder.

De tekening in potlood afwerken, de symmetrieas uitgommen:

De tekening in n kleur zetten (enkele keren met dezelfde kleur over de lijn gegaan):

 

Een tweede kleur, aan de binnenkant van de lijn zetten en er ook enkele keren overheen gaan om de lijn dikker (breder) te maken. De lussen hebben nog gn tweede kleur:

 

Een derde kleur aanbrengen, aan de buitenkant van de lijn; ook deze kleur breder maken door er enkele keren overheen te gaan:

 

 

De lussen binnenin een extra kleur geven. Dit kan dezelfde kleur zijn als de binnenkant van de grote figuur, maar kan ook een vierde kleur zijn (zoals hier):

 

 

Let er bij het tekenen met schetspotlood en kleurpotlood of waskrijt op dat de kinderen de lijnstukken in n beweging tekenen, zoals je op de voorbeelden hierboven kunt zien. Sommige kinderen hebben de neiging om de lijnen in kleine stukjes te tekenen, waardoor bij het resultaat overal kleine uitsteeksels te zien zijn.

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

2. SPIEGELING

2.1. Met n lijn. Recht of gebogen of combinatie van beide, zoals in de voorbeelden hieronder. Nog meer voorbeelden vind je bij het vormtekenen van de eerste klas.

 

2.3. Met lussen. Hieronder voorbeelden van spiegeloefeningen met lussen.

 

2.4. Met lijnen die telkens vanaf de spiegelingsas vertrekken en stapelen.

 

2.5. De tekening kan ook onder de spiegelingsas staan. In de voorbeelden hieronder zullen sommige vormen na het afwerken herkenbaar zijn. Als dit zo is, dan kan de spiegelingsas uitzonderlijk wl benadrukt worden.

 

 

 

 

2.6. De lijn loopt zowel boven als onder de spiegelingsas.

met als resultaat:

 

Als je de spiegelingsas verwijdert en de tekening in 2 of 3 kleuren afwerkt krijg je als resultaat dit:

 

2.7. Spiegeloefeningen kunnen over de hele breedte van het blad gaan, maar ook over nog langere stroken papier. Je kunt eindeloze variaties bedenken op combinaties van rechte en kromme lijnen.

 

2.8. Je kunt de tekeningen van de vorige reeks (symmetrie) een kwartslag draaien naar links of naar rechts.

Bijvoorbeeld:

Zo kun je van n symmetrieoefening vier verschillende spiegeloefeningen maken, met telkens een andere vorm als resultaat.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

3. VIERZIJDIGE SYMMETRIE (combinatie van symmetrie en spiegeling). Nog meer voorbeelden vind je bij het vormtekenen van de eerste klas.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

4. APPLICATIES (DESIGN).

Symmetrie is terug te vinden in talloze toepassingen in huis en elders. In de voorbeelden hieronder heb je enkele flessen, potten en een lantaarn.

Door met de breedte en de hoogte van de tekening te spelen, kun je van n oefening verschillende opgaven maken omdat de gebogen lijnen bij elke aanpassing anders zijn.

Je geeft aan de kinderen alleen de linkerhelft op (zoals op de tekening hieronder) zonder erbij te vertellen welke figuur of welke toepassing het is. Door de volledige tekening te maken zien de kinderen de gehele vorm en zien ze ook welk voorwerp ze getekend hebben.

In 1e en 2e klas geef je enkele eenvoudige opgaven, in de 3e en de 4e klas kun je moeilijkere opgaven geven. Nog meer voorbeelden vind je bij het vormtekenen van de eerste klas.

 

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

5. WENTELINGEN

Wentelingen zijn aanzienlijk moeilijker om te tekenen dan symmetrie- en spiegelingsoefeningen, op voorwaarde dat de kinderen hun blad niet mogen draaien. Lukt het niet zonder het blad te draaien, dan laat je het draaien wel toe. Wentelingen zijn opgaven die je in de loop van de tweede klas kunt beginnen geven en vanaf de derde klas regelmatig kunt voorzien. In de tweede klas kun je wentelingen laten maken met cirkels die in 4 verdeeld zijn. In de derde en volgende klassen kun je opgaven geven met cirkelverdelingen in 3, 4, 5, 6, 7, 8 enzovoort. Je kunt de figuren naar rechts laten wentelen, maar even goed naar links.

 

Je begint met een assenstelsel zoals bij de vierzijdige symmetrie.

In het vak bovenaan links (of een ander vak naar keuze) teken je een kwart van een cirkel.

Daarin teken je een bepaalde figuur met rechten of met krommen of met een combinatie van beide.

De kinderen spiegelen de cirkelboog in de vier vakken (symmetrie + spiegeling)

De figuur binnen het cirkelsegment gaan ze nu niet spiegelen, maar draaien (wentelen): ze draaien de figuur 90 naar rechts voor het vak bovenaan rechts.

Nog eens 90 wentelen voor het vak onderaan rechts.

En nog eens 90 wentelen voor het vak onderaan links. Voor dit vak kun je de originele figuur ook 90 naar links laten draaien.

 

WERKWIJZE

1. De horizontale en verticale assen tekenen:

2. Een boog (kwart van een cirkel) tekenen:

3. De vorm (figuur) tekenen:

4. De cirkel tekenen (door te spiegelen):

5. De figuur in het vak bovenaan rechts tekenen, niet gespiegeld, maar gekanteld (90 gedraaid):

6. De figuur nog eens 90 draaien en in het vak onderaan rechts tekenen:

7. De figuur nog eens 90 draaien en in het vak onderaan links tekenen:

8. Cirkel en assen uitgommen. De cirkel kun je, als je dat wilt, laten staan en samen met de figuur in kleur afwerken. In dit voorbeeld is alleen de figuur behouden:

9. De lijnen van de figuur breder maken met dezelfde kleur door er enkele keren overheen te gaan:

10. Een tweede kleur toevoegen. In dit voorbeeld is een lichte kleur aan de binnenkant van de figuur toegevoegd:

11. Een derde kleur toevoegen. In dit voorbeeld een nog lichtere kleur aan de binnenkant:

12. Een vierde kleur (facultatief) toevoegen. In dit voorbeeld is dit een donkere kleur aan de buitenkant:

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

6. MANDALA'S kunnen in de lessen vormtekenen aan bod komen op voorwaarde dat de kinderen zlf de mandala's tekenen en daarna inkleuren of NIET inkleuren. Mandala's kunnen opdrachten zijn bij drie-, vier- en zeszijdige symmetrie. Vormtekeningen dienen om het denken op een kunstzinnige manier aan het werk te zetten. Mandalas inkleuren betekent het tegenovergestelde: het is een vorm van meditatie met het doel het denken uit te schakelen, maar dat kun je op klassikaal niveau in de kleuter- en lagere school veel beter doen door te zingen en te musiceren; voor individuele kinderen kan het tekenen en inkleuren van mandalas zinvol zijn om tot rust te komen.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

OPMERKINGEN

Tekeningen fotokopiren en aan de kinderen geven om in te kleuren doe je vanzelfsprekend niet.

Geef altijd kwaliteitsvol tekenpapier (160 g of meer).

Voor het vormtekenen is glad tekenpapier ideaal.

 

https://www.cielen.eu