◄
RINKRANK
TEKENEN
Elk kind begint op een bepaald moment in zijn ontwikkeling te
tekenen. Eerst zijn dat krabbels vanuit de schouder, enkele maanden later vanuit
de elleboog en weer een tijd later vanuit de pols. Dan is het moment aangebroken
waarop het kind voor het eerst een gesloten kromme tekent en kan het 'tekenen'
beginnen. Het kind is op dat moment ook 'kleuter' geworden. Tekenen hangt nauw
samen met de ontwikkeling van een kind en gebeurt over heel de wereld op
dezelfde wijze.
Nu is het de taak van de school om het tekenen verder te laten
ontwikkelen.
In de kleuterschool
De kleuters krijgen veel gelegenheden om te tekenen. Dat kan
tijdens het vrij spel - dan mogen kleuters gezellig aan tafel komen zitten bij
de juf - als ze willen tekenen. Het gebeurt ook wekelijks tijdens de
klassikale pedagogische activiteit. Zoals schilderen op een vaste dag gebeurt,
zo is dat ook voor het tekenen. Geleidelijk ontstaan er ritmische patronen in
het gekrabbel. Die leiden tot de bekende 'kopvoeters' en 'staakbomen'.

Dan komt er meer onderscheid. Bijna elk kind begint met
onderaan op het blad de 'grond' te tekenen en bovenaan 'de lucht'. Daartussen
blijft het blad leeg, en daar komen dan: een huis, een boom, een menselijke
figuur, een dier, een vogel, een bloemetje. Tegen de tijd dat de kleuter
schoolrijp is, is het blad gevuld met diverse figuren en is het kind rijp om
tekeningen te maken naar aanleiding van een verhaal. De tekeningen krijgen dan
een gerichte inhoud, je kan ze 'beeldopstellen' noemen.

In de lagere school wordt
het tekenen verder ontwikkeld en toegepast.
TEKENLESSEN
Na een verhaal in de les cultuurbeschouwing mogen de kinderen
over het verhaal tekenen. Ze mogen dan ook bij elkaar gaan kijken en desnoods
natekenen. In de eerste en tweede klas hebben de kinderen nog geen behoefte om
modellen (afbeeldingen) op te zoeken in boeken. Zij tekenen uit zichzelf. De
leerkracht volgt op, bespreekt de tekeningen en helpt zuinig. Slechts wanneer er
een stilstand komt in het tekenproces, zal hij voorzichtig ingrijpen. Het zijn
dus niet echt tekenlessen in de gewone zin. Het enige dat als 'les' kan doorgaan
is de bespreking van de tekeningen. Het is een moment waar alle kinderen naar
uitkijken, want elk kind wil weten wat de leerkracht ervan denkt, maar wil ook
commentaar horen van de andere kinderen. En die krijgen dan ook de gelegenheid
daartoe.
In de eerste klas zie je op het blad nog aarde - lucht met
daartussen de figuren, zoals in de kleuterschool. De schouw op het huis komt
meestal rechtop te staan. De bomen hebben zichtbare vertakkingen tussen het
gebladerte. Het huis heeft een deur en ramen die meestal verlicht zijn De
hoofdfiguren van het verhaal zijn duidelijk te zien.

In de tweede klas begint op de tekeningen de aarde omhoog te
komen. De 'grond' vult een steeds groter deel van het blad. Soms zijn er flinke
uitstulpingen in die grond. De figuren staan op twee of meer verschillende
niveaus, wat een eerste diepte-effect geeft.

In de derde klas ontstaat de behoefte om al eens een
afbeelding uit een boek als model te nemen. De kinderen willen nu meer en meer
naar de waarneming tekenen en zijn niet meer tevreden met hun
'kleutertekeningen'. De kleuren op het blad worden minder krachtig. De
hoofdfiguren staan groot en duidelijk op het voorplan. Binnenscènes zijn heel
courant. Mensenmassa's worden ook graag getekend. De kinderen zoeken soms naar
perspectief, zodat een rivier plots uit de lucht komt stromen, omdat ze nog niet
weten waar de horizon moet getekend worden.

In de vierde klas gaat de aandacht meer en meer naar de
hoofdfiguren uit de verhalen. De omgeving wordt er bijgetekend op het tweede
plan. De kinderen beginnen te ontdekken hoe ze de voorgrond kunnen laten
afsteken tegen de achtergrond. Het tekenen van dieren begint meestal erg goed te
lukken, vooral paarden zijn zeer in trek.
In de vijfde klas beginnen de eerste tekenen van
perspectief op te vallen. De horizon is er, maar de vluchtlijnen nog niet. Een
huis kan er uit zien als een afgeknotte piramide waarvan de muren de vier kanten
uitgaan.
In de zesde klas is het werken met perspectief een normaal
gegeven worden. We zien tekeningen met kikkerperspectief, met vogelperspectief,
enz. De kinderen experimenteren met deze nieuwe verworvenheid die nog vol fouten
zit, maar dat deert niet. Aan de hand van de besprekingen wordt er steeds
bijgestuurd. Als ze de lagere school verlaten is het tijd om de regels van het
perspectief écht te leren.

In de lagere school wordt er ook getekend in andere lessen.
In de eerste klas worden de eerste letters aan de hand van
tekeningen aangebracht. De eerste rekenlessen gebeuren ook aan de hand van
tekeningen.
Bij werkjes in taalperiode en rekenperiode mag steeds een
verluchting (passend bij de inhoud van de les) getekend worden. Dat gebeurt ook
op de werkbladen in een W.O.-periode, niet alleen in de eerste klas, maar in
alle klassen van de lagere school.
In de bovenbouw van de lagere school zijn tekeningen heel
belangrijk om de waarneming te ondersteunen bij lessen
geschiedenis,
aardrijkskunde,
fysica,
dierkunde,
plantkunde,
menskunde,
mineralogie,
astronomie, enz .
VORMTEKENEN
Vormtekenen leidt tot het gebonden schrift.
Vanuit het vormtekenen ontstaat in de eerste klas het gebonden
schrift (lopend schrift). Vanaf de eerste schooldag in de eerste klas wordt dit
vormtekenen dagelijks geoefend, het is zo opgebouwd dat tegen Kerstmis uit die
vormen de letters zijn ontstaan. Dit gebeurt gelijktijdig met het leren lezen,
maar daarvoor worden de kleine drukletters gebruikt. Om zelf te schrijven
gebruiken de kinderen het gebonden schrift, om te lezen hanteren ze de kleine
drukletter en om te tekenen gebruiken ze de grote drukletter.
Vormtekenen leidt tot
meetkunde.
Vanaf de eerste klas krijgen de kinderen ook namiddagperiodes
vormtekenen. Dit is een ander soort vormtekenen. Vanuit rechte en kromme lijnen,
met spiegeling en symmetrie ontstaan er vlakken. Die vlakken evolueren tot
cirkel, ellips, vierkant, rechthoek enz. In de derde klas kunnen de
kinderen uit de losse hand cirkels tekenen en verdelen in twee, drie, vier,
vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf gelijke delen. Daarin ontstaan
dan allerlei vormen dankzij spiegelen en symmetrie. Eén basisvorm krijgt meer
aandacht: dat is de zeshoek met daarin de zesster. In die figuur ontdekken de
kinderen van de derde klas alle vlakke meetkundige figuren, behalve het
vierkant. In die meetkundige vormen ontstaan tevens de eerste vlechtvormen.

In de vierde klas worden de vlechtvormen - meestal de
Keltische knoopfiguren - uitvoerig behandeld en geoefend.
In de vijfde klas wordt er verder gewerkt aan vlechtvormen
zoals die te vinden zijn in de Germaanse, Keltische, Longobardische, Indische en
Perzische vormentaal. Griekse meanders zijn ook aan de orde in de vijfde
klas. In de meetkunde wordt het vormtekenen van de derde klas weer opgenomen,
maar nu met passer en lat en héél nauwkeurig werk. Uit de zeshoek-zesster
ontstaan nu weer alle meetkundige vormen en worden nu ook het vierkant, de
vijfhoek en vijfster, twaalfhoek en twaalfster (verschillende mogelijkheden)
geconstrueerd. Ook driedimensionele vormen op basis van de gelijkzijdige vlakken
worden gemaakt: de platonische lichamen.
In de zesde klas worden de islamitische vlechtvormen
geanalyseerd en geconstrueerd. Het zijn dikwijls zeer ingewikkelde figuren,
waarbij goed moet nagedacht worden. De vormentaal van het Alhambra is de
leidraad, maar vlechtfiguren uit moskeeën worden ook nagetekend. In de
meetkunde
worden de vlakke figuren weer getekend, maar nu ook berekend.

◄